Preek op zondag 11 juli door ds. Hedda Klip over Marcus 6: 6-13

Gemeente van Jezus Christus

 

Eerst maar eens een vraag aan u allen: wie gaat er dit jaar met alleen een rugzak op vakantie? Geen koffer, geen auto dus………

Eigenlijk heb je helemaal niet zo veel nodig om te reizen. Met twee pasjes kom je al heel ver. Een bankpasje en een identiteitsbewijs. En tegenwoordig natuurlijk het gele boekje, of de corona-app. 

 

En nu nog een moeilijke vraag: spreekt u iemand tijdens die reizen? Los van uw reisgenoten. En het personeel van het hotel of het restaurant. 

 

Als ik even terugdenk aan mijn studentenjaren, wouw toen ontmoette je echt veel mensen op reis. Omdat je geen geld had voor de reis moest je wel gaan liften. En op die liften ontmoette je allerlei interessante mensen. Soms was het ook wel eng natuurlijk. Maar meestal was het gewoon goed. Ik kan me die mensen nog steeds voor de geest halen. Zo was er een sympathieke Fransman die het leuk vond om met jongeren op stap te zijn en mij en Owe tracteerde op een maaltijd en uitnodigde in zijn huis om te logeren. 

Het is helaas zo dat hoe luxueuzer je reizen worden hoe minder echte mensen je spreekt, echt spreekt en ontmoet. Mensen in hun eigen huizen. 

 

Wat dat betreft, zijn de instructies van Jezus heel begrijpelijk. Hij wil dat zijn leerlingen mensen ontmoeten, mensen hoe ze echt zijn, in hun eigen huizen. Ik heb met verschillende mensen over deze Bijbeltekst gesproken en dit komt er wel uit: als je niks meeneemt, móet je wel mensen ontmoeten. Anders overleef je de reis niet. 

De leerlingen mogen geen geld meenemen, dus zelfs dat bankpasje wat wij altijd bij ons hebben, dat hebben ze niet bij zich. Geen zilverstuk, geen kopermuntje. 

En ze mogen geen eten bij zich hebben. Geen broodje, geen dadel. Kortom, op dag één moeten ze al bij iemand aankloppen met de vraag of ze mee kunnen eten. En kunnen overnachten. Een van jullie kinderen zei het al: Jezus wil dat ze mensen vragen om eten en drinken. Dat klopt. Zo zijn ze helemaal afhankelijk van wat anderen geven. Of niet geven. Honger lijden kan erbij horen. Vies worden zal erbij gehoord hebben. Zo heel fris zal dat ene kledingstuk dat ze aanhadden na een tijdje niet meer geroken hebben. 

En het is ook gevaarlijk, zo reizen. In dezelfde tekst in Lukas zegt Jezus: “Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.” Het kan verkeerd aflopen. Het is een risico. Ze reizen in vertrouwen. Als pelgrims, met alleen een stok. Ze hebben de regie over hun leven in handen van God gelegd. 

Wat doen ze dan op die reis? Ze komen vrede brengen, zegen, zegt Lukas. Hier in Markus staat het nog simpeler: ze moeten in die huizen blijven. Gewoon blijven. Niet van huis naar huis trekken, op zoek naar de lekkerste hapjes. Maar in dat huis waar je welkom bent, blijven. Er bij zitten. Luisteren. Zegen brengen. Een vorm van pastoraat dus. Mee-eten. Eten wat de pot schaft, wat mensen je voor zetten. Jezelf de rust gunnen om bij die mensen te zijn. Aandacht geven. Niet doorhollen naar de volgende. De tijd nemen. En dan tijdens het eten zal er een gesprek op gang komen en kunnen jullie vertellen over het evangelie. Over dat onderdeel geeft Jezus geen instructies. Het is misschien helemaal niet het belangrijkste. Dat gesprek ontstaat vanzelf wel, als er echt samenzijn is.

 

Als doopouders willen jullie het evangelie doorgeven. Jullie willen doorgeven wat jullie zelf van jullie ouders ontvangen hebben. Geloof, hoop en liefde. Daarin kunnen en willen leven: dat gunnen jullie je kinderen ook. Vandaag zetten jullie daarin een belangrijke stap, door je kind bij God te brengen om Zijn zegen te ontvangen in de doop.

 

Hoe geef je het geloof door? Hoe doe je dat? Het bijzondere is, daar hoef je niet eens veel voor te doen. Je kunt er ontspannen in staan: het gaat grotendeels vanzelf. Je hoeft daarvoor geen moeilijke gesprekken te voeren. Het evangelie doorgeven doe je door het evangelie te leven. Het gaat om het delen met elkaar. Je deelt je leven, je geloof, met je kind. Je zit samen aan tafel, je luistert, je vertelt. Je maakt tijd voor elkaar. Je neemt de rust. Je geeft aandacht. 

Het gaat om ontmoetingen. Met elkaar en met mensen die bij jullie thuis over de vloer komen. De gasten die komen. Soms misschien mensen die anders zijn, geen familielid of vriend, maar iemand die gastvrijheid nodig heeft. En die welkom is bij jullie.

 

Jullie gunnen het jullie kinderen dat het hoort bij een gemeenschap, de gemeenschap van de kerk. Een kerk is niet alleen een vriendengroep - althans dat hoort het niet te zijn- het is een gemeenschap van allerlei soorten mensen, rijk, arm, jong en oud, gezond of ziek. Allerlei beroepen zitten bij elkaar in de kerk. Mensen met allerlei soorten opleidingen. Soms zitten er mensen bij die je eigenlijk niet zo mag. Dat hoort bij het kerk-zijn. Of je iemand mag of niet, speelt geen rol. Je bent samen één gemeenschap. Dat is wat hier in het evangelie ontstaat: de gemeenschap van de kerk. 

 

Kerkleiders in Ghana kijken terug op de jaren van de zending en het ontstaan van hun kerk. Normaal gaat het in dat soort zendingsgeschiedenis om de namen en levens van de belangrijke zendelingen. Maar het bijzondere is dat die Ghanezen zeggen: “Eigenlijk waren de zendelingen zelf minder belangrijk voor ons. Dat waren natuurlijk goede mensen, merendeels althans, het waren wijze mannen, die ons dingen leerden. Maar die wijze mannen maakten geen bekeerlingen. Dat deden hun vrouwen. Niet door wat ze zeiden, maar door wat zij deden. De zendelingen zaten veel op hun studeerkamer, bijvoorbeeld om de Bijbel te vertalen, nuttig werk ook, maar hun vrouwen deelden ons leven.”

Die zendingsvrouwen deelden in het leven van de mensen om hen heen. Ze kookten en aten met hen, zongen met hen, naaiden kleren. Ze spraken samen over Bijbelteksten. En zo, gewoon door er te zijn, door te blijven bij de mensen, leefden ze het evangelie en ging het evangelie leven. 

 

Evangeliseren gaat minder over woorden en meer over daden, over nabij zijn en delen.

Net als de leerlingen doen: ze leven in de huizen van de mensen en delen hun levens. En proberen zegen te brengen door te genezen.

 

Er zit ook een negatief element in de tekst: soms ben je ergens niet welkom. Je kunt op reis ook negatieve ervaringen opdoen. Blijf daar niet in hangen, zegt Jezus. Probeer mensen die het niet willen horen, niet te overtuigen. Dat heeft geen zin. Schud het stof van je voeten en ga verder. Dat is misschien een les die we als kerk ook wel ter harte kunnen nemen: blijf niet hangen in wat niet wil, wat maar niet op gang wil komen. Probeer dat niet kost wat kost toch te bewerkstelligen. Dat kost teveel energie. Concentreer je op wat er goed gaat. Dat is al heel veel. Daarmee kunnen we aan de slag.

Het Koninkrijk van God heeft ons bereikt in de zegen en de vrede van Jezus. Dat we dat uit mogen stralen en uit mogen dragen, door wie we zijn en door hoe we elkaar als mensen nabij zijn. Zodat de wereld door Gods vrede omvat wordt. 

Amen