Preek op zondag 19 juni door ds. Bert Kuipers

Jesaja 65, 1-9 en Lucas 8, 26-39

 

 

Bij de spullen die wij als kinderen van onze ouders erfden horen ook de fotoalbums van vroeger. Foto’s met kartelrandjes op zwart papier met spinnenweb blaadjes er tussen. Met moeite houden de foto’s zich vast aan de  losspringende fotohoekjes. Er zijn ook een paar bladzijden die tijdens de oorlogstijd spelen. Mijn moeder zwemmend met vriendinnen in het zwembad of in de Loosdrechtse plassen. Mijn vader in een zeilbootje met vrienden, geen idee waar het is genomen. Moeder en grootmoeder op de fiets naar Twente om eten te halen in de hongerwinter. Ze konden nog wel lachen op die foto’s. Je weet verder heel weinig van die periode. Maar het was kennelijk niet alleen maar kommer en kwel, althans niet voor een gemiddelde Nederlandse familie.

In de oorlog was het kennelijk toch niet alleen grijs of zwart. Zo wennen wij hier ook aan die oorlog daar ginds. Gaandeweg krijgen we eelt op onze ziel, althans voor wie al die ellende daar niet van dichtbij hoeven mee te maken. Eelt op je ogen, op je oren, op je gevoel van verontwaardiging. 

Dat is dan weer goed nieuws voor de aanstichter van die oorlog. Die vindt dat een wenselijke ontwikkeling. We winden ons niet meer zo op over het geweld, de moordpartijen, de wreedheden en de ongehoorde roodpartijen ginds. Dus kan hij er mee door gaan zonder al te veel bemoeials. En die sancties, ach, die vallen ook best mee. Als een Big Mac een andere naam heeft gekregen smaakt het nog net als voordien. 

Maar al die bijbelteksten die we zondags in de kerk lezen, hebben van week tot week door die oorlog toch wel een extra betekenis gekregen. Als je goed oplet. Zoals ook dit verhaal over die zonderling die naakt huist in grotten en grafsteden, de mensen die langskomen toeschreeuwt en zelfs door geen ketenen in bedwang kan worden gehouden. Wie is die man? 

Een beetje psychiater zal wel weten wat er met die man aan de hand is. Een menging van schizofrenie en onverklaarbare toevallen en psychosen. Gek is hij bepaald niet. Want als Jezus de geesten heeft laten uitvaren blijft de man achter en zit keurig aan gekleed en voor rede vatbaar te wachten op de dingen die gaan komen. Maar zo ver is het nog niet. Hij heult met de dood, daar in die grotten en die geesten, wie weet wat ze met een bezoeker kunnen uithalen. 

Voor de mensen waar Lucas voor schrijft is het klip en klaar: het zijn boze geesten die hem in hun greep nemen en doen schuimbekken. Die komen van buiten en hebben fysieke krachten over hem. Het is niet éen geest, maar een heel legioen. Een legioen dat wel macht heeft over die geplaagde man, maar op voorhand zijn die toch ook weer doodsbang voor Jezus. 

Daar gaat dit verhaal over. Het illustreert Jezus’ macht. Maar de macht van kwaaie geesten moet je ook niet onderschatten. 

Alle drie de synoptische vertellers hebben dit verhaal. In verschillende versies. Marcus beschrijft het drukke gedrag van de bezetene uitvoeriger dan Lucas. En bij Mattheus zijn het er ineens twee en ze maken het de voorbijgangers moeilijk met hun opdringerig geschreeuw. 

Alle drie vertellen dat de bezeten man op Jezus toeloopt, Hem dus zoekt, uitdaagt, misschien zelfs, en hem aanspreekt en uitroept: ‘wat heb jij met mij te maken, Jezus Christus, zoon van de Allerhoogste God’. 

He, een zin die we van ergens anders hebben gehoord. Het is een zin die we kennen van de bruiloft van Kana, dat is een verhaal dat alleen bij Johannes voorkomt. Dat gebeurt als Maria haar zoon aanspreekt dat hij wat moet doen aan dat door gebrek en zuinigheid verlopende bruiloftsfeestje. Jezus antwoordt dan zijn moeder: ‘Wat is er tussen mij en tussen jou’. ‘Wat heb ik met u van node’, luidt een andere vertaling. Overigens heeft Johannes dit verhaal van die bezetene niet….

Kortom, de bezetene, of hij nu in zijn eentje is of met zijn tweeën, hij heeft ontzag voor Jezus, hij is zelfs bang voor hem. Hoe hij van Jezus kan weten, wordt niet verteld. De aardigste inhoud van Bijbelse verhalen is altijd weer wat ze niet vertellen! 

Een markant moment in het verhaal is de naamgeving van de geesten die huizen in het hoofd en in het lijf van de bezeten man. Wat is je naam!? Dat doet een beetje denken aan hoe wij bij doopvieringen de ouders vragen naar de naam van het kind. ‘Met welke naam wilt gij dat uw kind genoemd zal worden, in deze wereld, en in de wereld die komt.’ Trots, blij, spreken dan de ouders die naam uit. De naam die dekt de lading van dit mensenkind. Heel zijn of haar leven zal het zijn best doen om die naam eer aan te doen. Of je nu Johannes, Kees, Maria, Brenda of Marieke heet. 

Hier stelt Jezus de vraag aan de geesten. Nadat er al een krachtmeting heeft plaats gevonden, en de geesten zich al gewonnen lijken te gaan geven. En dan pas klinkt de naam: ‘legioen’. Want, legt de verteller uit, vele geesten waren in hem gevaren. 

Dat woord ‘legioen’ brengt ons in de wereld van het militaire bedrijf, zoals het vorm is gegeven door de Romeinen om hun Pax Romana op te leggen aan de wereld. Kijk de strips van Asterix er maar op na, voor de sfeer, of Google op ‘legioen’ en u bent geheel geïnformeerd over het Romeinse oorlogswezen. 

Bij de Romeinen zijn die legioenen georganiseerde eenheden. Dat is daar allemaal stevig gepland en doordacht. Beter dan de Russen nu, maar even dodelijk. Anders waren ze niet zo ver doorgedrongen in de halve wereld en hadden ze hun limes niet kunnen uitspannen tot diep in de rijken van Germanen en Franken, van Grieken en Arabieren, van Perzen en Hunnen. In dit verhaal van Lucas denk je eerder aan ‘horden’. Dat past ook bij de overdracht waar de geesten Jezus zelf om verzoeken: laat ons maar in varen in die varkens die daar worden gehoed. 

Dan vraag je je af: wat doen die varkens in een Joods verhaal? Een Jood eet geen schnitzel of ham. Maar we zijn hier in dit verhaal in het land van de Garasenen, ten oosten van het meer van Galilea. Dat is de dekapolis, dat is heidens land. Daar lusten ze wel een speklapje. 

Maar die speklapjes verdwijnen in het meer. Met z’n allen. Jezus geeft het legioen geesten toestemming om in te varen in de zwijnen. En dan wordt het een dolle dravende horde die zich in blinde vaart en waan de berg laat afrollen, zo, plons, het water in…. 

Een paar van mijn commentaren putten zich uit in verontschuldigingen voor die zielige varkentjes. Hen treft toch zeker geen blaam. Zeker niet. Hooguit dat ze hadden moeten proberen uit de scopus van de verteller te blijven. Maar dit is geen verhaal uit de krant, zelfs niet uit de sensatiepers, het is een profetische vertelling. En dan komen we bij de inhoud en de betekenis van die boze geesten terecht en zijn we weer bij de actualiteit van vandaag. 

Want we zeggen het niet te hebben zien aankomen, maar als we echt goed geluisterd hadden en onze belangen voor goedkope energie niet op voorrang hadden gesteld, hadden we kunnen zien hoe daar ginds die horden zich klaar maakten om als legioenen uit te stromen over een zich ontwikkelende democratische samenleving. 

De feestpakken voor de trotse overwinningsparade zaten al in de koffers van de generaals. En als dit land zou zijn opgerold en zijn cultuur weggebombardeerd zijn de volgende landen aan de beurt. Kijk maar na op de kaart van Europa. Want naïef en onnozel blijven wij. En morgen denken we dat het allemaal wel meevalt met die enge geesten. 

Heeft Lucas dan geweten wat er vandaag plaats vindt en heeft hij bij zijn legioen geesten in het hoofd van die arme bezetene echt gedacht aan wat er nu gebeurt? Al die opgedreven troepen in het oosten die tussen geweld en misleiding, tussen wreedheid en  leugen zich opmaken om een cultuur en een mensenvolk van om de hoek te vernietigen? Nee, natuurlijk niet. Lucas, en met hem Marcus en Mattheus, houden dit verhaal open voor onze herkenning in onze tijd. 

De bezetene, die griezelige zonderling, ach, misschien zijn wij dat wel.  Ben ik het. Want kijk ons eens netjes aangekleed zitten als Jezus ons bevrijd heeft van al die onrust in ons hoofd. Misschien zijn wij die figuur wel die ontvankelijk blijkt te zijn voor de fascinerende verleiding van die vele geesten die met hun herrie en tumult, hun opdringerigheid en drukte de indruk wekken dat ze de wereld in hun macht hebben en dat verder verzet tegen hen nutteloos is. En dat we ons maar gewoon moeten schikken naar hun verleidelijke macht. 

Ze komen zelf op Jezus af. De bezeten man, maar ook de geesten in zijn hoofd. En ze weten dat een ontmoeting met Jezus geen weg terug inhoudt. Sneu voor die varkens, zij worden geofferd in het verhaal. Varkens worden verder nergens in de bijbel geofferd, ze bestaan nauwelijks. Het is een verhaal, dat wil Lucas ons wel kwijt. In de hoop dat wij de bedoeling van het verhaal willen herkennen, onze naïviteit en goedgelovigheid af leggen, ons realiseren wat dit legioen geesten met ons en de wereld willen doen en ons overleveren aan de macht van Jezus, die zegt: ik geef u vrede. 

In de Naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest

Amen.