Preek op zondag 15 augustus door ds. H.J.K. Vaartjes

Psalm 139, 1 Cor. 13: 11-13, Matth.18: 1-3

 

Gemeente van onze Heer,

 

Het lijkt er op, dat Jezus en Paulus het met elkaar oneens zijn.

Jezus zegt: “als jullie niet worden als de kinderen”.

Paulus schrijft  “Nu ik een man geworden ben heb ik afgelegd wat kinderlijk was.” Je kunt ook  lezen: Nu ik volwassen geworden ben, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Ik wil deze woorden vanmorgen vooral ook lezen met het oog op ons geloof. Immers: geloven als een kind is bij ons een gevleugelde uitdrukking geworden. Soms, misschien wel vaak gebruikt om een gesprek over geloven, ook over de moeite met geloof, te besluiten en te beslechten. Verhuld kan dan bedoeld zijn: doe toch niet zo moeilijk. Geloof het nou maar gewoon. Wat bedoelen Paulus en Jezus met het kinderlijke, of ook het worden als een kind? In elk geval niet iets kinderachtigs, kinderlijk betekent ook niet: onschuldig of zuiver. Of te goed van vertrouwen, kinderlijk geloof als naïviteit.

Toen ik deze tekst van Paulus las moest ik denken aan lang geleden.

Het zal einde 50er jaren zijn geweest. Ik had met een klasgenoot een vakantiebaantje voor een aantal weken op het R.I.V., nu R.I.V.M. in Bilthoven. Glaswerk waarmee poliovaccins waren gemaakt sorteren, spoelen, in gedestilleerd water dompelen en in de destilleerkasten zetten. Aan het hoofd van de afdeling stond een aardige mevrouw. We raakten in gesprek over het geloof, wij, twee gereformeerde jongens, met wat je zou kunnen noemen, een kinderlijk geloof en zij, lid van een toen al zeer modern kerkgenootschap. Tijdens een van onze gesprekken vroeg ze:” geloof je dat nog allemaal ?” De letterlijke boodschap van de Bijbel b.v.

Ja, wij geloofden nog alles, in elk geval heel veel en heel traditioneel.

Toen onze vakantiebaan erop zat zei ze: ”Jullie zijn nog niet zo ver, maar ik hoop, dat jullie nog wel zover komen”. In ons geloof, bedoelde ze, minder traditioneel, ruimer, de Bijbel minder letterlijk nemen, misschien wel wat vrijzinniger. Meer volwassen. Wij geloofden naar haar idee nog teveel.

En soms kan het je overkomen, dat medechristenen vinden, dat je te weinig gelooft b.v. als je niet elke bijbeltekst letterlijk neemt of een meer symbolische betekenis zoekt van bijbelverhalen. Misschien herkent u, jullie dit allemaal wel. Teveel geloven, te weinig, steeds volgens anderen. Je kunt je er haast schuldig over voelen.  Onzeker. Want ja, wie heeft de waarheid aan zijn kant? In onze tijd horen en lezen we ook de niet malse kritiek van wetenschappers op het geloof, je hoort en leest wat atheïsten zeggen over het bestaan van, liever het niet-bestaan van God. Je ziet de t.v. programma’s over mensen die niet of niet meer geloven, of leest erover in de krant. Vaak klinkt er dan een gevoel van voldoening en bevrijding, dat men het geloof achter zich heeft gelaten. Als een soort verworven volwassenheid.

En daarbij: je kunt ook je eigen gedachten niet helemaal uitschakelen: geloven als een kind, ja, maar ik begrijp toch wel het een en ander van de kritiek en de vragen van veel mensen denk je .

Soms kun je zo terugverlangen naar dat geloof van je kinderjaren, naar de vanzelfsprekendheid ervan, dat alles was zoals gezegd werd, die kindertijd toen je geloof een zeker weten was. Ongecompliceerd, vol vertrouwen, zoals een kind zijn moeder en vader ongecompliceerd vertrouwt. Dat is de geest van psalm 139. Uit deze psalm spreekt een grote mate van intimiteit, die de dichter voelt met zijn God. Een vanzelfsprekende vertrouwdheid, die overigens niet beklemt en beknelt.

 

De franse filosoof van protestantse huize Paul Ricoeur noemt het geloof van de kinderjaren de 'eerste naïviteit'. Hij spreekt er geen oordeel over uit. Ieder, die zich veilig voelt bij het aloude vertrouwde, die liever geen vragen stelt aan het geloof heeft het volste recht om bij die eerste naïviteit te blijven.

Naïviteit heeft bij hem dan ook geen negatieve klank, zoals vaak in het dagelijkse spraakgebruik. Naïviteit in de goede zin heeft te maken met onbezorgdheid, onbekommerd zijn, goed zijn van vertrouwen, onbevangen, vol verwachting. Als je bij die eerste naïviteit denkt aan geloven, dan gaat ze vergezeld van het letterlijk nemen van de Bijbel, geloof in een God buiten onze werkelijkheid, ook het geloof in een goddelijke besturing van het leven en de geschiedenis. En de aanvaarding van de aloude leer en dogma’s van het geloof. En vooral verlangen naar zekerheid in geloofszaken: zo is het en niet anders. Kritische vragen worden vermeden. Men valt graag terug op de ondoorgrondelijkheid van God.

Er zijn in onze tijd en al lang daarvoor veel gelovige mensen, die met die eerste naïviteit in de knoop raken. Moderne en postmoderne mensen noemt Ricoeur hen. Mensen, die ook de ontdekkingen van wetenschap en techniek serieus willen nemen. Mensen, die zich niet zoveel meer kunnen voorstellen bij een almachtige God, God lijkt immers veel macht aan de mensen te hebben afgestaan. En de Bijbel waarin alles echt gebeurd zou zijn? Ik herinner me nog goed het moment in 1965, toen ik hoorde dat Jona geen historisch verhaal is. Het was een schok, zoals er later meer schokjes zouden volgen. Het was de tijd van Kuitert, Berkhof, Baärda om maar enkele theologen te noemen. Wat zij zeiden en schreven veroorzaakte onzekerheid, angst om het geloof te verliezen. Nu kun je meningen van theologen van toen en van nu naast je neerleggen. Maar kun je de aanvallen vanuit het leven op je geloof naast je neerleggen? De onbegrijpelijkheden van wat je overkomt, het verdriet, het gemis, het noodlot ? En alles wat er in onze wereld gebeurt aan ellende, onrecht en wreedheden? Komen niet als vanzelf de vragen aan dat kindergeloof naar boven? Waarom grijpt God niet in, waar is zijn hand, waar is zijn macht: als er al een God is, dan…Is Hij er wel, is het wel een Hij? We vinden het vaak wat flauw als mensen van buiten de kerk met zulke vragen aankomen. Maar hebben wij niet ook onze vragen, onze twijfel, een bij tijden zwak geloof, dat zomaar kan grenzen aan ongeloof ? Slaat het leven zelf ons niet onze eerste naïviteit uit handen? Herkennen wij, ook al worden wij daar onzeker van, niet de vragen aan kerk en geloof, de kritiek, die het geloof relativeert of vaarwel zegt. Geloven heeft toch iets onredelijks, niets kan bewezen worden. Zo horen en lezen wij wat velen inbrengen tegen het geloof. Dat kan leiden tot fel verzet tegen geloof: zoals de atheïsten, die in hun strijd tegen God en geloof net zo fundamentalistisch zijn als de meest bijbelgetrouwe christen. Het kan ook leiden tot relativisme, een soort verdraagzaamheid: wie geloven wil moet dat zeker doen...

Het is allemaal herkenbaar en misschien hebben we zelf ook wel een aantal aspecten van het geloof uit onze kindertijd losgelaten. Misschien durven wij ook oude geloofswaarheden te nuanceren of te relativeren. We lezen de Bijbel vandaag anders dan in onze kindertijd. En het blinde vertrouwen zal zeker hier en daar flinke deuken hebben opgelopen aan het leven. Geloof is voor velen een mooie vaas met een flinke barst er in geworden. Voor hen probeert Ricoeur wegen te vinden. Niet om het geloof vaarwel te zeggen, maar om het opnieuw te omarmen. Opnieuw iets van vertrouwen te herwinnen. Hij noemt dat de tweede naivïteit. Je zou kunnen denken aan wat Paulus zegt: Nu ik een man geworden ben, volwassen geworden ben heb ik het kinderlijke, de eerste naïviteit achter me gelaten. Je zou zo’n geloof ook een vragenderwijs geloven kunnen noemen. Want de vragen van de moderne mens aan het geloof zijn serieuze vragen. Laten we ze niet buiten de deur houden. Ga zelf ook door die vragen heen, zegt Ricoeur, want zijn het ten diepste niet je eigen vragen? De vragen, de twijfel, ze horen bij de tweede naïviteit. Niet alles kan dichtgetimmerd worden met de leer, met bijbelteksten, met onwrikbare vastigheden. Een geloof als tweede naïviteit is een geloof met vallen en opstaan, met vlagen van ongeloof. Een geloof, dat met twijfel mag en durft te leven, met vragen en zonder sluitende antwoorden. Een geloof dat openheid naar andere religies en levensbeschouwingen durft hebben, een geloof, dat zich niet laat voorstaan op eigen gelijk. Een geloof waarin de verwondering de ruimte krijgt.

Een geloof, dat de vraag waarom je eigenlijk gelooft maar moeilijk kan beantwoorden. Waarom? Omdat het een kelder onder het leven geeft, omdat je niet afgeplat, alleen horizontaal wilt leven? Slechts gevoed door de waan van de dag? Omdat je betrokken wilt zijn op meer dan deze werkelijkheid, omdat er laatste woorden zijn, die meer zeggen over de zin, de bedoeling van leven dan de boodschap van onze neoliberale ik samenleving. Omdat je een verlangen hebt naar meer dan we zien in onze wereld, een verlangen naar iets nieuws, meer recht, meer vrede, meer liefde.

De Tweede Naïviteit is en blijft een geloof in God, een God die zich voor ons gevoel vaak schuil houdt, maar bereikbaar is. Aanspreekbaar. Maar die we nooit in onze macht hebben: Hij blijft de geheel Andere. Hij is niet de God van rechtstreekse ingrepen, van de harde hand, van gemakkelijke oplossingen. God komt naar ons toe in de Schriften, die voortdurend en steeds opnieuw  gelezen, overdacht en uitgelegd mogen worden. Op zoek naar de woorden, de boodschap in en achter de woorden. God komt altijd door middel van... Hij is een God, die ons ook tegemoet komt in het menselijke, in het goede, in medemensen, in naastenliefde. Hij neemt het Woord in en door die Ene onvergetelijke Mens Jezus. Hij is een God, die zich laat horen en zien in symbolen, water, brood, wijn.

 

Daarom hebben we ook anderen nodig om te blijven geloven, een gemeenschap van mensen die ook wel weten dat er genoeg redenen zijn om niet te geloven. Maar die toch kiezen voor geloven, voor vertrouwen kun je ook zeggen. Want misschien is het kenmerk van die tweede naïviteit wel het vertrouwen. Vertrouwen in alle vragen, in de kritiek. Vertrouwen geeft de moed om onafgebroken op zoek te zijn. Vertrouwen geeft de moed om te weten, dat religieuze antwoorden, ook de christelijke, nooit definitief zijn. Geloof is vertrouwen. Geen blind vertrouwen, maar vertrouwen met een nieuwe onbevangenheid. Zou Jezus dat bedoelen met 'worden als de kinderen'? Worden als de kinderen is een keuze. De bewuste keuze om in alles en ondanks alles te blijven vertrouwen. DE keuze voor geloof als vertrouwen. Vertrouwen in God dat het louter verstandelijke overstijgt. In het prachtige gezang 569, voor de Witte Donderdag over de voetwassing, horen we: Hij, Jezus omgordt ons met ootmoed, Hij doet ons Zijn eigen geringheid aan. Mens zijn zoals Jezus, open naar God, gevoelig voor die andere werkelijkheid boven ons uit, open naar de wereld en haar pracht en haar stuiptrekkingen, dat zou wel eens de volwassenheid kunnen zijn van een kind. Mens proberen te worden als Jezus met zijn ootmoed en geringheid als krachten van de heilige Geest.

En Paulus? Zijn volwassenheid van het geloof vat hij in drie woorden samen: geloof als vertrouwen, geloof als hoop tegen beter weten in en geloof als liefde die sterker kan zijn dan het eigen belang. Zo’n geloof, zo’n tweede naïviteit kan tegen een stootje. En  kijkt in alle vragen aan God, aan het leven zelf verder, kijkt uit naar het moment waarop wij zullen zien van aangezicht tot aangezicht.

De liefde zal dan de grote winnaar zijn. Tot die tijd zijn wij geroepen om …om te vertrouwen, te bidden, te zingen, te doen wat gedaan kan worden, en vooral.. om te blijven hopen.

 

Amen