Preek op zondag 25 maart 2018 n.a.v. Marcus 11 door ds. Antoinette van der Wel

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Palmzondag is de meest verwarrende zondag van de 40-dagen tijd. Een zondag die op twee gedachten lijkt te hinken. Enerzijds is er de vrolijke intocht, de wuivende palmen, de juichende en zingende mensen, je zou het liefst aan willen sluiten, mee willen juichen. Anderzijds weet je dat het een momentopname is en de inleiding tot het lijdensverhaal.

Of zijn het, als je goed kijkt, zijde en keerzijde van dezelfde medaille. Want de koning die Jeruzalem binnenrijdt blijkt zo anders dan we gewend zijn, dat je niet heel vreemd hoeft op te kijken als je ziet wat er in de dagen erna met hem gebeurt. Het is een kwetsbare koning die op zijn ezel voorbij gaat en als je goed kijkt zie je al dat hij niet past in de geijkte patronen.

Zou er kracht kunnen zitten in die kwetsbaarheid? Kunnen we anders kijken naar onszelf en naar God? En wat betekent dat voor ons leven van alledag? Bij die vragen wil ik vandaag stil staan.

Met palmzondag luiden we de stille week in. We worden uitgedaagd anders te kijken. Blijkbaar is de koning naar Gods hart van een totaal andere orde dan we gewend zijn. Het heeft met Zijn merkwaardige voorkeur te maken voor wie kwetsbaar en weerloos zijn.

Altijd weer als ik het verhaal van de intocht hoor en het in mijn verbeelding voor ogen zie, blijf ik haken bij die eenzame man op zijn ezel. Hoe voelde hij zich? Was hij in de verleiding gebracht de ezel te verruilen voor een stoer paard en een volksopstand te ontketenen? Of wilde hij liever weglopen en anoniem opgaan in de massa?

In de bijbel is de ezel een vertrouwd lastdier. Over paarden wordt wat minzamer gesproken. Ze horen over het algemeen bij de vreemde bezetter of de vijand. Paarden worden geassocieerd met strijdwagens, met oorlog en geweld. Als Salomo met al zijn rijkdom teveel paarden verwerft wordt er met afkeuring over gesproken. De koningen van Israël dienen anders te zijn dan de omliggende volken, moeten zich onderscheiden. Van hen wordt bescheidenheid verwacht, anders te zijn dan de omliggende koninkrijken.

Jezus kiest voor het lastdier van de armen, voor de ezel. In zijn rijtocht resoneert de profeet Zacharia, die de Messias zag rijden op een ezel. De palmtakken, het citeren van psalm 118, het herinnert allemaal aan de doortocht door de zee. Je komt niet zo maar in het beloofde land, je trekt daarvoor door water en woestijn, je moet leren leven van het genadebrood, het leven blijkt minder maakbaar dan je dacht. Blijkbaar is de koning naar Gods hart geen stoere, machtige strijder, maar een kwetsbare, weerloze man, die schijnbaar ten onder gaat. Van hem wordt gezegd dat hij de koning naar Gods hart is. Dat vraagt een omkering in ons denken. God staat blijkbaar niet aan de kant van de machtigen en zelfstandigen van deze aarde, maar woont bij wie kwetsbaar zijn.

Kwetsbaarheid, weerloosheid, het zijn geen populaire woorden in onze maatschappij. Veel vaker horen we over zelfredzaamheid, over je leven in eigen hand nemen, over eigen keuzes maken, over je eigen succes naar je toe trekken, over maakbaarheid en overwinning. 

Als je ziek bent, moet je je best doen om die ziekte te overwinnen, als je arm bent is het een kwestie van hard werken om er bovenop te komen, als je erbij wil horen moet je snel onze taal en onze manieren eigen maken, als je oud bent moet je tot op het laatst de regie voor je leven in eigen handen houden. Het lijkt zo mooi, maar is het dat ook? Want wat als een strijd niet te winnen blijkt? Wat als je je helemaal over de kop werkt, maar toch arm blijft? Wat als je heimwee hebt naar de gewoonten van thuis en het Nederlands maar niet onder de knie krijgt? Wat als de regie je uit handen wordt geslagen, als je sprakeloos bent geworden? Wat als je nu eens je leven niet in de hand hebt, als je niet krijgt waar je zo ontzettend je best voor hebt gedaan? Als het je niet lukt om op te gaan in de massa? Wat als je van de een op de andere dag afhankelijk wordt van de zorgers om je heen, als je niet in staat bent om orde op zaken te stellen?

Wat als je kwetsbaar blijkt te zijn?

Wat is het toch waardoor wij zo’n afkeer lijken te hebben van kwetsbaarheid, alsof we alleen maar goed zijn als we stoer onze tranen verdringen, onze pijn wegstoppen en doorgaan. Houdt me ten goede, ik geloof dat het goed is om regelmatig even op je tanden te bijten en door te zetten, maar niet tegen elke prijs. Er kunnen momenten zijn in een mensenleven dat je werkelijk met lege handen staat en je niet meer door kunt zetten. Momenten waarop je je opeens realiseert dat je overspoeld wordt, echt geen flauw idee hebt hoe het verder moet en je strompelend verder ploegt door de woestijn.

Wat blijft er dan nog over? Misschien dit, het verlangen gezien te zijn. Dat er dan een mens is die bij je blijft, die je nabij wil zijn, die het met je aandurft, daar in de woestijn. Misschien blijft er dan over dat je hulp kunt aanvaarden, dat je de ander voor je laat zorgen, je nabij laat komen. Dat een ander er voor je kan zijn, dat je gedragen wordt.

Gemeente,

Kwetsbaarheid is niet fijn in een wereld die bol staat van succes en zelfredzaamheid. Het liefst sluiten we onze ogen ervoor en gaan nog een slagje ijveriger aan de slag. Roepen net iets te hard dat we het wel redden. Kwetsbaarheid maakt je afhankelijk, het maakt dat je de controle over je leven kwijt raakt, het past zo slecht in een wereld waar je voor jezelf moet zorgen, waar je je leven in eigen hand moet houden.

Wanneer we geconfronteerd worden met onze eigen kwetsbaarheid of met die van iemand die ons lief is, kan ons de angst overvallen, de angst van het niet te redden, de angst voor eenzaamheid of de dood. Die angst schuiven we het liefst aan de kant, maar in dit soort situaties kan dat niet. Misschien wordt het dan tijd om die angst onder ogen te zien, om ons te realiseren dat we niet onaantastbaar en onsterfelijk zijn, maar broos en sterfelijk. Het onder ogen zien van die angst kan echter ook ruimte geven. Wat je niet in de hand hebt mag je loslaten, overgeven, delen. Je kunt je concentreren op wat wel kan, op waar je wel invloed op hebt. Het biedt kansen voor nabijheid, voor hartelijke zorg, voor medeleven, voor trouw en vertrouwen.

Jezus rijdt op een ezeltje Jeruzalem binnen. Het is het begin van een weg waarin het steeds stiller wordt om hem heen. Toch wordt van deze man al 2000 jaar beweerd dat de dood geen vat op hem had, dat hij als een graankorrel in de aarde viel om op te bloeien tot nieuw leven. En nu, al die jaren later zijn we hier bijeen in de kerk, omdat dat verhaal ons gaande houdt, ons inspireert om onze angst voor kwetsbaarheid af te leggen, want de weerloosheid van Jezus bleek sterker dan al de macht en het geweld om hem heen. Hij was niet te breken. Dat mag ons inspireren om anders te kijken naar deze wereld en elkaar. Misschien eens een andere toon te zetten. Ons leven is niet maakbaar, het is om met John Lennon te spreken, wat je gebeurt terwijl je andere plannen maakt. Aan ons de opdracht om te speuren waar we een signaal van God in dat leven opvangen. Dat zal eerder zijn bij wie weerloos is, dan bij de schreeuwers, eerder bij wie verrassend vraagt om contact, dan bij wie de vuisten heffen.

Altijd weer als ik kijk naar Jezus op dat ezeltje, als ik de stemmen van het verraad al hoor op de achtergrond, troost ik me met de beroemde regels van Henriette Roland Holst:

De zachte krachten zullen zeker winnen,

dat hoor ik als een innig fluisteren in mij,

zo ’t zweeg zou alle licht verduisteren

alle warmte zou verstarren van binnen.

Daarom, in de broosheid en kwetsbaarheid laat God zich kennen, in de zachte krachten, in het kwetsbare licht, in een koning op een ezel. Aan die krachten mogen we ons toevertrouwen, in leven en sterven. Ze zullen sterker blijken dan alle machten, in die zachte krachten zijn we geborgen, vandaag en alle onzekere dagen die komen.

Amen.