Preek over Marcus 9:38-50 op zondag 30 september door ds. Antoinette van der Wel

Wie niet tegen ons is, is voor ons! Zo eenvoudig ligt het. Als mensen in Jezus’ naam iets doen en ze horen niet bij onze club, dan toch zijn ze voor ons, zegt Jezus. Je hoort de leerlingen al tegensputteren. Dat gaat zomaar niet! Dan moeten ze zich ook bij ons aansluiten en het op onze manier doen. Wie hoort er eigenlijk bij? Wanneer ben je een volgeling van Jezus?

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vind het begin van onze lezing buitengewoon vermakelijk. Er wordt een lange neus gemaakt naar alle officiële instanties. Je bent geen lid van de kerk en je pretendeert er toch bij te horen? Dat gaat zomaar niet. Je moet er wel wat voor over hebben. Je moet gedoopt zijn en liefst ook belijdenis gedaan hebben. Zomaar een beetje freewheelen langs de zijlijn, daar doen we niet aan. Buiten de kerk is er geen heil!

Door de eeuwen heen is dat laatste beweerd en te vuur en te zwaard bestreden. En wat een spoor van vernietiging trok deze houding in mensenlevens en in de kerk. Want je zal maar gewogen worden en te licht zijn bevonden. Niet gelovig genoeg, niet ijverig genoeg, niet genoeg over gehad voor je geloof. Te lauw bevonden, te smakeloos, te klein, te oninteressant…

Wat een verademing dan om te horen dat Jezus, in de lijn van Mozes, rustig zegt: als er goed wordt gedaan is dat gewoon goed. Als mensen naar elkaar omzien, elkaar het goede doen, en daar mijn naam voor gebruiken, dan is het goed. Als ze niet tegen mij zijn, zijn ze voor ons. Deze uitspraak ervaar ik als een warme jas op een koude winteravond, als een troost voor alle mensen die in alle eenvoud het goede doen, die een beker aanreiken aan wie dorstig is. We hebben als gelovigen bondgenoten, overal op aarde. Waar in een vluchtelingenkamp een voedselpakket wordt aangereikt, een kind een aai over de bol krijgt, een vrouw even mag schuilen, zie ik een bondgenoot. Waar in het verpleeghuis iemand een ogenblik rustig aan het bed zit van een verwarde man en rust geeft, waar iemand op de barricaden gaat voor een leefbare samenleving, zie ik bondgenoten. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Ruimhartig wordt hier gesproken, waar Gods goedheid wordt gedeeld, daar zijn onze bondgenoten. 

Of onze waarheid daarbij wordt gedeeld is niet belangrijk. Of mensen over God vertellen? Het is blijkbaar niet belangrijk. Er wordt een beker water aangereikt aan wie dorst heeft. Er wordt leven mogelijk gemaakt voor wie kwetsbaar is, een kind wordt in het middelpunt geplaatst. Dan wordt God woordeloos ter sprake gebracht.

De kring wordt wijd getrokken in het evangelie en voor de leerlingen van Jezus is dat best even slikken. Tot zover is de lezing vooral bemoedigend en tolerant. De kerk is zo wijd als de hele aarde, overal waar het goede wordt gedaan krijgt zij gestalte.

Maar dan slaat de toon plotsklaps om. Alsof we in een gemoedelijk gesprek over de grenzen van de kerk een tikje op onze schouder voelen, ons omdraaien en Jezus in de ogen kijken. Hij vraagt: hoe zit het met jouw bereidheid om volgeling te zijn? Wat heb jij over voor mijn koninkrijk. Mag dat ook in je eigen vlees snijden of kom jij liever ongeschonden door de strijd?

Slik…

Opeens vallen er woorden als molenstenen, Gehenna, moet je je hand of voet afhakken, is er sprake van vuur dat niet dooft.

Slik…

Van dit soort teksten word ik altijd heel ongemakkelijk, de radicaliteit ervan lijkt zo in tegenspraak met de vorige regels en eerlijk is eerlijk, een dergelijke radicaliteit boezemt mij angst in. Ik associeer het met openbaar schuld belijden omdat je een kind verwacht, met bekrompenheid, met mensen die klein worden gehouden, met wie met Gods naam op de lippen inrijdt op een menigte. Ik houd me graag verre van een dergelijke radicaliteit en intolerantie.

Maar waar gaat het hier eigenlijk over?

Ten diepste denk ik dat Jezus ons hier een spiegel voorhoudt. Je kunt altijd kijken naar de ander. Hoe doet hij het? Hoe doet zij het? Maar durf je het ook aan eerlijk naar jezelf te kijken? Want hoe graag we ook deze wereld willen hervormen en veranderen, hoe graag wij misschien ook de kerk ondersteboven willen keren en willen bezielen met nieuw elan, de vraag die wordt gesteld is: waar ben jij in dit alles? Ben jij iemand die een beker aanreikt of iemand die daar liever over praat. Ben jij iemand die ruimte maakt voor een ander of liever toch zelf vooraan staat? Ben jij iemand die de kleinen over het hoofd ziet, of iemand die aandacht heeft voor de kwetsbare? Jezus daagt ons uit eerlijk naar onszelf te kijken.

Als we de wereld willen veranderen, zullen we toch dicht bij huis moeten beginnen. Niet steeds naar anderen wijzen, maar ons eerlijk afvragen: wat kan ik doen? Wie kan ik zijn? Waar gebruik jij je handen voor? Om te strelen of te slaan, om te geven of te graaien, om te beschermen of te bedreigen? Waar gebruik jij je voeten voor? Om hard weg te rennen als het moeilijk wordt of om naast iemand te lopen? Om te schoppen of om de grond aan te stampen voor wie na je komt?

Jezus’ scherpe taal snijdt in je vlees, het zet je aan het denken: waar gebruik ik mijn talenten voor? Het zijn geen fijne woorden om te horen, de ernst vliegt ons naar de keel. Het gaat hier om zaken van leven en dood, niet zozeer als een straf ooit in een hiernamaals, maar voor mensen vandaag, hier, om ons heen, over onszelf en de plaats die we innemen op deze wereld.

Iedereen moet met vuur gezouten worden. Het is een tekst die het geheim niet zomaar prijs geeft. Vuur is in de bijbel altijd een teken van Gods aanwezigheid, een teken van loutering. Zout is de onvolprezen smaakmaker en beschermer van voedsel. In bijbelse tijden onmisbaar en kostbaar.

Blijkbaar is dat wat Jezus van zijn volgelingen vraagt. Wees een door God geïnspireerde smaakmaker. Hoe je dat doet? Misschien wel door het aanreiken van een beker water aan wie dorst heeft. Misschien wel heel gewoon door te luisteren naar het verhaal van iemand die niet zo belangrijk is. Misschien wel door in je eigen omgeving het belang van de ander voorop te stellen. Misschien wel door op te komen voor wie geen helper heeft. In de spiegel die ons wordt voorgehouden zie je zelf wat je mogelijkheden zijn en kansen. Wie niet tegen ons is, is voor ons.

Lieve John en Inez,

Na een periode van diaken zijn leggen jullie je taak neer. Er zijn tomaten geplant in Kenia, voedselpakketten gevuld in de supermarkt en nog veel meer. Het waren intensieve jaren, ook voor jullie persoonlijk. Heel wat bekers water zijn aangereikt en ontvangen. Zo gaven en geven jullie gestalte aan je volgeling zijn. Dank je wel.

Lieve Alex,

Hoe vaak zagen we jou op de orgelbank? Hoeveel muziek heb jij in ons midden laten klinken? Muziek, waarmee je ons liet delen in je liefde voor God, waarin je hoopte dat we een ogenblik opgetild zouden worden boven de harde werkelijkheid van verdriet en pijn heen. Het is jouw manier van volgeling zijn, het heeft ons geraakt. We wensen jou en wie je lief zijn toe dat je in de tijd die voor je ligt troost en geborgenheid mag ervaren. Dank je wel.

Lieve gemeente,

Gods naam wordt geheiligd waar mensen het aandurven verantwoordelijkheid op zich te nemen, waar we bereid zijn er te zijn voor een ander, ook al slijten we eraan. De grenzen van de kerk zijn inderdaad zo wijd als de aarde zelf. Waar iemand ons een beker met water reikt, daar wordt de toekomst geboren. Waar we in de spiegel kijken naar onze mogelijkheden om Gods liefde te weerspiegelen, worden we smaakmakers in Gods koninkrijk. Dat mag ons dapper en moedig maken, vrolijk en licht, het mag ons ademruimte bieden, om volgeling van Jezus te zijn, vandaag en alle dagen die komen.

Amen.