Kerstpreek van ds. Antoinette van der Wel

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Op de kerstmorgen lezen we traditioneel uit het Johannes evangelie. Minder toegankelijk en minder liefelijk dan het verhaal van het kind in Bethlehem bij Lucas. (Hoewel je ook bij het Lucas evangelie vragen kunt stellen over de romantiek in het kerstverhaal, maar dat terzijde). Ik hoop dat u niet teleurgesteld bent omdat we niet de vertrouwde woorden horen over keizer Augustus en Jozef en Maria. Die woorden klonken gisteravond immers al. Vanmorgen, nu het licht geworden is, worden we uitgenodigd door Johannes om opnieuw naar het kerstverhaal te kijken, maar vanuit een andere invalshoek.

In het begin was het woord! Johannes kent zijn klassieken. Het lijkt wel een nieuwe schepping. Zoals het eens allemaal is begonnen, zo begint ook nu zijn evangelie. We spitsen onze oren, maar verdwalen misschien in zijn taal. Tot we horen: het woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Nu komen we weer op vertrouwd terrein. Gods eerste woord bij de schepping is immers: licht! Nog voor hij de zon en de sterren als lampjes aan de hemel hangt is er al licht! Blijkbaar is het God daar om te doen, Hij stelt paal en perk aan de duisternis. Hij zet ons in het licht, brengt licht in de nacht. De grondtoon van de bijbel is gezet. De wereld wordt aan het licht gebracht. De duisternis verdreven.

Opeens zijn we midden in het kerstevangelie beland. Licht in onze nacht! Waar Lucas het ons laat zien in het kind in Bethlehem, beschrijft Johannes hem als een nieuwe schepping. Het woord is mens, vlees geworden. Het woord is een warm kloppend hart geworden. Hij heeft voeten om de weg van vrede te gaan en handen die gemaakt lijken om te helen, te genezen, te troosten. Zo dichtbij wilde God blijkbaar komen dat hij zich laat kennen in een mensenkind.

Letterlijk staat er: het woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen[1]. Dat vind ik altijd een prachtig beeld. Het herinnert me aan de tent die de Israëlieten meenamen op hun tocht door de woestijn. Teken van Gods nabijheid bij een volk dat in de woestijn moest leren wat het betekent om vrij te zijn, om mens te zijn.

God slaat zijn tent onder ons op. Hij resideert niet in een paleis op een hoge troon, noch in een kerk of tempel, alleen toegankelijk voor wie erbij horen. Midden onder ons wil hij zijn, als een kind, een outcast, kwetsbaar en zonder veel aanzien. Blijkbaar kan hij alleen zo met ons zijn, met zijn voeten in de klei, midden in onze dagelijkse beslommeringen, in ons hele gewone bestaan.

God is geen verre en afstandelijke waarnemer van het gekrioel op aarde, maar staat midden onder ons, in een kwetsbaar mensenkind. Alleen zo kan hij met ons zijn, alleen zo wil hij bij ons zijn, als mens onder de mensen, als meest nabije naaste.

Wat is het moeilijk om God zo voor te stellen. Want dat zou betekenen dat hij zomaar ons pad kan kruisen. We kunnen hem niet op afstand houden. Je kunt je tegelijkertijd ook afvragen: is hij zo niet te kwetsbaar, te gewoon, te klein? Willen we niet liever een God die een beetje overzicht houdt, die sterk en krachtig is, die wat verder van ons aards gewemel afstaat?

Of moeten we anders leren kijken? Een grote sterke God die van een afstand naar het aardse gerommel kijkt, wat heeft die met mij te maken? Die kan hoogstens hier en daar aan een touwtje trekken, en op zijn troon het wijze hoofd schudden over zoveel getob op aarde. Die raakt mij niet in mijn dagelijks leven, in de keuzes die ik maak, in het leven dat ik leid.

Zo wordt de bijbelse God ons niet getekend. Hij mag dan hoog tronen, hij is van meet af aan een God die neerdaalt, die dichtbij wil zijn, die zich aan mensen verbindt, met huid en haar, als je zo plastisch over God kunt spreken.

Hij heeft zijn tent onder ons opgeslagen. Zomaar midden in ons leven. Als ik daar goed over nadenk blijkt daar een geweldige troost van uit te gaan. Hij is er als de nacht valt en ik niet zo goed weet hoe het verder moet. Hij is bij het kind op de grens van Mexico, verlangend naar toekomst aan de overkant van de muur. Hij is in de rouwende die deze dagen een geliefde zo mist. Hij is in de vluchteling die hardnekkig probeert een thuis te vinden in ons land. Hij is in de mens die voorzichtig de deur opendoet om een ander te ontmoeten. Hij is er als ik dreig te vallen en de nacht dreigend om me heen is. Een God die zo onnavolgbaar dichtbij is, is bijna niet voor te stellen. Een God die we kunnen ontmoeten in een mensenkind, wie had dat ooit bedacht. In een wereld waar het ging en gaat om mensen met macht, om voor jezelf op komen en zelfredzaamheid, blijkt deze God te kiezen voor kwetsbaarheid, voor weerloosheid en nabijheid.

Vreemd, anders, onnavolgbaar, maar toch….

Wat een troost. Er wordt een licht ontstoken en de duisternis vlucht weg. Een mens brengt een lichtje mee en verdrijft de nacht. Zou het een knipoog van God kunnen zijn? Een teken dat we niet van hem verlaten zijn? Dat deze aarde hem ter harte gaat? Dat wij hem ter harte gaan?

Lieve gemeente,

Het kerstevangelie nodigt ons uit vasthoudend te blijven geloven in God die onder ons is, die met ons is. Die bereid is ons leven te delen tot in de diepte van de dood. Zo wil hij blijkbaar God zijn, in alle kwetsbaarheid, in ons hele mensenbestaan. Zo is hij God met ons. Zo is hij de grond onder onze voeten, de armen onder onze val, de liefde die ons draagt, dit lieve leven lang.

We kunnen het niet bewijzen en eerlijk gezegd is het soms bijna niet te geloven, maar we kunnen niet anders dan God zien in het kind van Bethlehem en in de man van Nazareth. We zien hem in een warm kloppend hart, begaan met mensen, in voeten die ons voorgaan op een weg van vrede en gerechtigheid, we voelen hem in helende handen, we warmen ons aan de lichten die hij ontsteekt, we horen hem in onze oren zeggen: ik ben met je.

In dat kwetsbare vertrouwen vieren we vandaag het kerstfeest. Ontsteken we kleine lichten voor elkaar, delen ons brood en onze beker, slaan een troostende arm om elkaar heen, lachen vrolijk met wie gelukkig is, delen in het verdriet van wie het moeilijk hebben.

In alle kwetsbaarheid is hij onder ons geboren. Zo dicht nabij wil hij zijn, zo wil hij ons leven delen, zo worden we aan elkaar toevertrouwd. Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Zijn naam is liefde, mededogen, vrede, licht, leven, gerechtigheid, bodem onder ons bestaan…

Uit uw verborgenheid

voorbij aan onze grenzen,

straalt lichte eeuwigheid

als daglicht voor de mensen.

Uw wijde hemel welft

zich rond over de aarde.

Gij zult op vaste grond

ons voor het donker sparen.[2]

 

 

[2]Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk. Sytze de Vries, lied 500.

 

[1]Joh 1,14, Skènoo (tent opslaan)