Preek van ds. Annemieke Kelder op zondag 25 april over Ezechiel 34: 7-10 en psalm 23

Psalm 23 van Karel Eykman

 

Was ik een schaap, was Hij mijn herder,

was ik een schaap, Hij bracht mij verder

naar ’t frisse gras en even later

waar water was, fris helder water

naar de overkant, naar het beloofde land,

waar je drinken kon zo van de bron.

 

En was ik stom, ging ik verdwalen,

Hij keerde om om mij te halen.

Ik wist: zolang als Hij er bij was

was ik niet bang, als Hij maar bij mij was

aan de overkant, in het beloofde land,

waar je drinken kon zo van de bron.

 

Hij leidde me dan langs diepe ravijnen,

ik schrok niet van gevaarlijke zwijnen.

Hij hield mij ver van wilde dieren,

Hij hielp me door heel diepe rivieren

naar de overkant, naar het beloofde land,

waar je drinken kon zo uit de bron.

 

Ik voelde me goed, kon op Hem bouwen,

ik kreeg weer moed, had weer vertrouwen,

was ik een schaap, was Hij mijn herder,

was ik een schaap, Hij bracht mij verder

naar de overkant, naar het beloofde land,

waar je leven kon vlak bij de bron.

 

Lieve mensen van God                                                                

 

“Ik ben de goede herder.” Dat is natuurlijk het evangelie dat u had verwacht. Jezus die zegt: “ik ben de goede herder”.

Maar het gaat net even anders. Was ik het schaap, zegt de dichter, of was ik zelf de goede herder? Moet ik die zijn? Of ben ik zo’n slechte herder, waar de profeet zich tegen keert in Gods naam?

         Het mooie van een gelijkenis is, dat de rollen niet vast liggen. Wie is wie en wie voel je je? Dat kan nog wel eens verschuiven, van mens tot mens, of van periode tot periode in je eigen leven. Soms wil je zo graag een schaap zijn, even terug kunnen vallen op een herder; iemand die weet waar het goed is en wat het goede is om te doen of te kiezen. Soms heb je de positie van herder en wordt van jou leiderschap verwacht, of goede zorg.

         Het lastige van de gelijkenissen uit de bijbel is, dat ze uit een heel andere tijd en cultuur komen. Weten we in ons aangeharkte land wat de echte gevaren waren voor schapen, daar, op de rand van de woestijn, met wilde dieren overal? Weten we wat een herder daar en toen was; de zwervers van de maatschappij, uitschot, cowboys, outlaws, ruwe bolsters die er niet voor terug deinsden een beer of leeuw zelf aan te pakken, die dagen en nachten buiten sjouwden, ongewassen, onverzorgd? Niet echt een romantisch bestaan, zoals het soms wordt voorgesteld. Gelukkig, voor ons verstaan, hebben we nu ook weer wolven die via Duitsland ons land binnen trippelen en een enkel schaap te pakken krijgen. En hebben we stadsherders met kuddes die de groenstroken langs de snelweg begrazen; zij kennen ook zo hun gevaren. Zo hebben we er toch een beeld bij, een beetje.

Overigens, bedenk ik nu opeens, even een zijpaadje: Jezus speelt nogal eens met het beeld van herder en schapen. Misschien wel omdat het herders waren die als eerste bij hem in de kerststal op kraamvisite kwamen. Blijkbaar heeft het ook voordelen om buiten de samenleving te staan en in wildernis en woestenij rond te sjouwen met je hoedende en zorgende werk. Blijkbaar is juist daar oog voor de geboorte van goed nieuws, het nieuwe leven en begin van Gods eigen mens-zijn.

Terug naar dit verhaal vandaag: wie zijn wij daarin, wie moeten we soms zijn en wie zouden we zo graag willen zijn? Als je naar Ezechiël luistert, kunnen herders dus ook heel duidelijk niet de goede zijn. Herders staan bij de profeten voor de leiders van het volk. Die goed leiderschap moeten geven en goede zorg. Doen ze dat? Zorgen de leiders voor wie aan hun zorg is toevertrouwd? Of gebruiken ze het volk alleen voor hun eigen winst, trots, grootheidswaan? Het woord ’gebruik maken’ valt. Herders die gebruik maken, of misbruik, van wie van hen afhankelijk is. “Ik zàl ze”, roept God. Ze zijn het niet waard mijn schapen onder hun hoede te hebben. Mijn schapen; het klinkt achter elkaar, wordt erin gehamerd: mijn schapen. Troostend, beschermend: mijn schapen, Ik zal ze redden van jullie.

         Ook in deze weken na Pasen is er al weer genoeg in het nieuws dat dit beeld invult. Regeringen die over de rug van het volk hun gelijk willen halen. Leiders die voor zichzelf en hun familie de vaccins te pakken hebben, terwijl het volk geen plek in het ziekenhuis heeft. Kerkleiders ook, die voor de macht gaan en bij onrecht de andere kant op kijken. 

Maar zijn we het ook zelf, soms, een beetje? Dan moet je het kleiner zien. In je eigen beleving. Waar werd leiderschap van je gevraagd, boven de situatie staan, even de wijste zijn en je mond houden, of juist je mond open doen voor wie jou nodig heeft? Waar deden we dat maar even niet, omdat het niet zo goed uit kwam, of ons echt wat zou kosten? Kunnen we leren van de goede herder en wat hem of haar goed maakt? Niet voor jezelf herder zijn, in de wereld, in de kerk, maar voor de ander? De ander oprichten, bevrijden, laten stralen. Zorgen dat niemand tekort komt, dat het er een beetje eerlijk en respectvol aan toe gaat. De boel bij elkaar houden, door te kijken naar wat je verbindt ipv wat je scheidt.

         Zomaar een gedachte: zou ook God wel eens schaap zijn, die vraagt dat we als herder goed zorgen voor God, voor zijn woord, voor haar beeldvorming, voor het goede gebruik van naam en verhaal van God met de mensen?

         Maar ook: wie herkent zich direct in het slachtoffer-schaap van zo’n slecht leiderschap? Weet van vechten tegen de bierkaai, van bureaucratie, regels, loketten, protocollen, oordelen over jou? Wie voelt zich af en toe net een mak schaap dat met geweld gehoorzamen moet, of dat zo graag eens aan de kudde zou willen ontsnappen?

         Voor hen is er goed nieuws, toch evangelie vandaag: God neemt het roer over. Ook al ben je ten prooi gevallen aan een slechte herder, je blijft mijn schaap, zegt God. Mijn kostbaar en uniek mens. Aan mijn zorg en leiderschap toevertrouwd. Als anderen je aan je lot overlaten, ben ik je God. Zal ik je herder zijn. Met een zorgzaamheid en een leiding waar je je met alle liefde en in vol vertrouwen aan kunt overgeven.

         Was ik een schaap, wou ik die herder. God, wat kan ik daar naar verlangen. Zo’n herder. Dat ik daar bij mag horen. Me veilig mag voelen. Geborgen. Met heel dat harde bestaan, de dreiging, de beren en leeuwen op mijn weg, de angst en al die zorgen steeds maar weer. Dat iemand de weg weet, ook voor mij. Dat als ik even afdwaal, iemand me thuis brengt.

         Het evangelie, het goede nieuws van deze gelijkenis is: dat verlangen is vervuld. 

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.