Preek n.a.v. Lucas 3 tijdens de doopdienst van 16 december 2018

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wat moeten we dan doen?

Johannes stort een stevige donderpreek uit over zijn hoorders. Je ziet het met enige verbeelding voor je. Je hoort de scherpe toon. Adderengebroed! De bijl ligt al aan de wortel! Breng vruchten voort! Doe je best! Maak het verschil! Want anders! Ik word zelf altijd wat onrustig en ongemakkelijk bij dergelijke grote woorden. Het is me te radicaal, te groot, te weinig realistisch. Donderpreken hebben nogal eens de neiging om mensen lam te slaan of op de vlucht te jagen. Dat is overigens precies wat er lijkt te gebeuren bij de omstanders van Johannes.

Wat moeten we dan doen, vragen de omstanders? Wat moeten we dan doen, om dat koninkrijk van God naderbij te brengen? Om te zorgen dat deze wereld niet naar de bliksem gaat. Wat wordt er van ons verwacht als gelovigen? En opeens zie ik me tussen die omstanders staan. Hun vraag is natuurlijk ook de onze. Wat moeten we dan doen? Hoe geven we gestalte aan ons geloof in deze wereld? Hoe maken we het verschil? En kunnen we dat ook? Ik zie ook de doopouders tussen de hoorders staan, met hun kleine kinderen erbij. Hoe ga ik een kind voor op een weg van geloof? Wat geef ik hen mee? Hoe zorg ik dat deze wereld leefbaar blijft? Dat er toekomst is?

Johannes’ vurige preek wordt door die vraag opeens heel concreet. Je kunt wel roepen om ommekeer en nieuw begin, Johannes, je kunt wel met het oordeel dreigen, maar hoe doe ik dat, omkeren, gelovig zijn?

Drie groepen mensen geeft hij vervolgens een handvat om dat geloof gestalte te geven.

Eerst wordt iedereen aangesproken. Als je twee sets kleren hebt, geef er dan eentje weg. Ik hoor daarin een hele concrete aanwijzing om te delen van al het goede dat je ontvangt. Houd je niet krampachtig vast aan alles wat je bezit. Ook jij hebt het slechts in bruikleen. Het lijkt eenvoudig, maar het is het niet. Want ik vermoed dat we ons vaak amper realiseren hoe goed we het hebben, hoe rijk we zijn, hoe volkomen bedolven onder allerlei spullen en hoe moeilijk het is daar afstand van te doen.  Er is voldoende voedsel op aarde om iedereen te voeden. Waarom hebben wij dan teveel en anderen veel te weinig? Delen we van het goede dat we hebben? En hoe doe je dat op een zinnige manier?

Vervolgens komen de tollenaars langs, de belastinginspecteurs van de bezetter. Ik vermoed dat je alleen tollenaar werd als je daar zelf wat aan over hield. Maar ook hier een praktische en haalbare opdracht. Niet meer vragen dan wat is opgedragen, eerlijk en integer zijn. Ook de derde groep, soldaten, krijgt een opdracht: niemand afpersen, niet plunderen, niet omkoopbaar zijn. Maar kun en wil  je nog tollenaar zijn als je er niets meer aan verdient? Wil je nog horen bij een gehate groep als je er zelf niet beter van wordt? En als je als soldaat niet mag schreeuwen en met je wapen dreigen, kun je dan nog soldaat zijn? Moet dan toch je hele leven op de kop?

Ten diepste lijkt Johannes te zeggen: doe binnen je mogelijkheden het goede. Laat op de plek waar je staat, in je gezin, in je werk, in je buurt iets zien van Gods koninkrijk. Er wordt nergens het onmogelijke gevraagd, maar er wordt tegelijkertijd ook gewezen op de mogelijkheden die je op elke plek hebt, al gaat het niet vanzelf.

Uit de woorden van Johannes proef ik enerzijds een ongelofelijke ernst. Geloven is niet iets voor erbij of voor op zondag, het heeft met je hele leven te maken. Gelukkig is er anderzijds ook ontspanning. Je hoeft geen totaal ander mens te worden, er is ruimte genoeg binnen je leven van elke dag om het verschil te maken, om de woestijn te laten bloeien.

Toen ik aan de doopouders vroeg wat ze aan Lars en Kaya mee wilde geven voor hun verdere leven, lichtte iets van dat gewone op. Ze vertelden hoe ze zelf De Ark altijd hadden ervaren als een plek waar je welkom was, waar je mocht zijn wie je was.  Dat gevoel, je hoort erbij, je bent welkom, willen ze graag als basis met de kinderen delen. Ergens word je gezien, mag je zijn, is er ruimte, je bent niet alleen. Belangrijk vonden jullie ook dat de normen en waarden die je zelf hebt meegekregen in je christelijke opvoeding door worden gegeven. Jullie willen je kinderen een basisvertrouwen meegeven in een gemeenschap van mensen die geloven dat God van hen houdt.  

Johannes verwijst in zijn optreden naar wie na hem komt. Eigenlijk maakt hij in zijn hele zijn ruimte voor de Messias. Hij ziet zichzelf als de voorloper, als de wegbereider, degene die opruimt en klaar zet, die ontvankelijkheid leert, die wijst op wie na hem komt.

Wat moeten we dan doen? Kunnen ook wij verwijzers zijn van de Messias? Ruimte maken voor de Messias? Maar hoe doe je dat? Ik vermoed door in alle eenvoud te kiezen voor het goede, zoals Johannes het bedoelde.

Kiezen voor het goede is niet altijd makkelijk of vanzelfsprekend, want het is niet zomaar duidelijk wat goed is en wat niet. Het ligt in ons leven vaak in elkaar verweven.

Kiezen voor het goede. Het heeft wat mij betreft te maken met hoe je in het leven staat. Hoe je in alle bescheidenheid het verschil probeert te maken.

Wanneer een kind ruimte krijgt om op te groeien en tot bloei te komen, als het van jongs af aan voelt dat je van delen rijker wordt, dan heeft dat met goedheid te maken. Als het de verwondering leert over het  leven, het leven dat een geschenk is en al jong beseft dat je welkom bent, dan heeft dat met goedheid te maken.

Wanneer een kind op de vlucht, aandacht krijgt en wordt gezien, als het wordt beschermd, thuis mag komen, ruimhartig wordt ontvangen, ook als er regeltjes zijn die dat verbieden, dan heeft dat met goedheid te maken.

Wanneer een mens kwetsbaar is en ronddoolt in de woestijn en een ander is bereid het daar met hem uit te houden in die woestijn en zijn water en brood te delen, dan heeft dat met goedheid te maken.

Wanneer iemand ons leert dat je er mag zijn, met al je goede bedoelingen en in al je falen, als je voelt dat er dan toch van je gehouden wordt, dan heeft dat met goedheid te maken.

In het alledaagse leven kunnen we ruimte maken voor de Messias.  Benedictijnse monniken wordt geleerd gasten altijd te ontvangen alsof het de Messias is. In je hartelijkheid tegenover de gasten, zou je immers zomaar de Messias welkom kunnen heten.

Wat moeten we dan doen? Misschien alleen dit: gastvrij zijn voor wie op onze weg komt, voor het kind dat we verwachten in de kerstnacht, voor de man die hij is geworden, vol van liefde en mededogen, voor God die het niet over zijn hart kon verkrijgen zijn volk te verlaten. Of zoals Sefanja het zo prachtig zegt:

De Heer, je God, zal in je midden zijn, hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal hij zwijgen, in zijn vreugde zal hij over je jubelen.

Aan die liefde vertrouwen we niet alleen Lars en Kaya toe, maar ook onszelf, met alles wat in ons is. Die liefde zal ons dragen, die liefde heet ons welkom, geeft ons de kracht om het goede te doen, voor onszelf, voor wie ons lief zijn, voor wie bij ons aanklopt.

Amen.