Preek van ds. Regina Davelaar op zondag 22 april 2018

Genesis 6:1-4; 1 Johannes 3:1-6

Gemeente van onze opgestane Heer Jezus Christus,

Wat staat er een mysterieuze en sprookjesachtige tekst op het leesrooster, over godenzonen en reuzen… Wist je dat dít ook in de Bijbel staat? Ik moest wel even slikken toen ik zag dat ik hierover moest preken. Maar… ik ben de uitdaging aangegaan en ik hoop dat jullie net zo nieuwsgierig zijn als ik, wat we nu met zo’n tekst aan moeten…

Laten we één ding aan het begin meteen goed duidelijk maken. In het bijzonder voor de voetballiefhebbers onder ons. Die godenzonen, dat zijn dus duidelijk niet de voetballers van Ajax, zeker niet na afgelopen zondag, toen ze geen enkel verweer hadden tegen de reuzen uit Eindhoven…

Maar wie zijn die godenzonen dan wel? Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Er zijn grofweg twee opvattingen. De eerste opvatting is als volgt: die godenzonen, dat zijn een soort engelen, hemelse wezens. Zoals we dat ook lezen in enkele psalmen: in psalm 29, de psalm die we gezongen hebben, staat bijvoorbeeld: ‘hemelingen (wezens in de hemel dus), geef God de eer’. En in psalm 89 staat: ‘wie onder de goden is gelijk aan de Eeuwige’. Dit soort zinnen vinden wij maar raar want er is toch maar één God? We hebben toch een monotheïstisch geloof? Een geloof in één God?Wij geloven toch niet net als de Grieken in een heleboel goden? Nee, dat doen we inderdaad niet. Maar er kunnen wel engelen zijn, boodschappers van boven en mensen met bijzondere gaven. Zoals je in andere landen bijvoorbeeld de medicijnman hebt of de sjamaan.

In de Joodse traditie onderscheidt men tien categorieën van engelen. Tien verschillende Hebreeuwse woorden die in de Joodse Bijbel voorkomen. En al die woorden vertalen wij met hemelse of goddelijke wezens, ook wel engelen genoemd. Die tien woorden staan niet lukraak opgesomd, nee er is een rangorde gemaakt van één tot en met tien. Op één staan de engelen die heel dicht bij God en de hemel staan en op 10 staan de engelen die juist heel dicht bij de mensen, bij de aarde staan. En dat woord voor godenzonen (beneej ha-Elohiem) staat op de 8steplek. Dicht bij de mensen dus, maar toch ook net iets anders, net ietsje hoger, spiritueler, zeg maar.

 

Dan de tweede opvatting. Die godenzonen kunnen dus een soort engelen zijn, maar het kunnen ook doodgewone mensen zijn. Nou ja, doodgewone…, bijzondere mensen, dat wel. In de tijd van Genesis 6 werden de zonen van koningen en van rechters bijvoorbeeld godenzonen genoemd. Mensen met zo’n belangrijke taak, die moesten wel dicht bij God staan. Zo wordt ook Mozes (de man die het volk uit Egypte leidde) door God een godenzoon genoemd: je zal als een godenzoon voor de Farao staan, zegt God tegen Mozes.[1]Mensen met een bijzondere opdracht werden dus in die tijd godenzonen genoemd. En eigenlijk gebeurt dat ook in de eeuwen daarna - denk bijvoorbeeld maar aan koning Lodewijk de XIV, die zichzelf de zonnegod noemde – en het gebeurt tot op de dag van vandaag. Wij zullen misschien koning Willem-Alexander geen godenzoon meer noemen, maar die voetballers van Ajax… tja daar zijn de meningen over verdeeld! En zo zijn er ook politici en popidolen, supersterren, topmanagers in het bedrijfsleven en geestelijk leiders. Mensen die zich als god gedragen, ten koste van alles en iedereen. We hebben ze zo op ons netvlies staan.

Maar goed, die mensen staan op afstand, zo zijn wij niet. Nou ja, laten we dat niet te snel concluderen. Proberen we niet allemaal in ons leven een beetje als God te zijn? Je hebt zelfs mensen die daar hun beroep van hebben gemaakt, zoals futurologen, die onder andere onderzoek doen naar hoe de mens, net als God, onsterfelijk kan worden. Mensen die daar alle vertrouwen in hebben, laten hun lichaam na hun dood invriezen in de hoop ooit met datzelfde lichaam weer verder te kunnen leven.

Maar dan praat ik weer over mensen ver van ons bed. Wat doen we nu zelf om het goddelijke in onszelf naar boven te halen? Misschien herken je hier iets in: je wilt bijvoorbeeld net zo groot als God zijn en je kickt op aandacht, op aanzien, misschien aanbidden mensen je zelfs wel eens... Of je wilt perfect zijn en nooit iets fout doen, net zoals God perfect is. Je laat je kwetsbaarheid niet zien en poetst imperfecties weg. Of je wilt oordelen over anderen, net zoals God als een rechter over ons oordeelt. Of je wil net zo machtig zijn als God, macht uitoefenen over alles en iedereen.

Ja, ik denk dat we allemaal op onze eigen manier proberen hoger te komen en hemelser te worden. Want dat streven naar goddelijkheid, dat zit diep, heel diep in ons menselijk DNA.

Het klinkt nu allemaal misschien wat negatief. Is het echt zo erg om te streven naar perfectie of om het fijn te vinden als andere mensen je waarderen om wie je bent? Is het echt zo slecht om als God te willen zijn? We proberen toch ook net als God barmhartig te zijn en lief te hebben bijvoorbeeld en daar is echt niks mis mee.

En het is ook niet alleen maar negatief, maar er wordt hier wel een grens gesteld. We moeten binnen de perken blijven. Want wij zijn mensen en God is God. En daarom moeten we God niet van zijn troon stoten, maar onze plek weten.

En daarom grijpt God in. Hij trekt een grens. De mens wordt niet meer 600, 700, of zelfs 969 jaar zoals Metuselach. De mensen die leken te leven tot in eeuwigheid, worden hier herinnerd aan hun eindigheid. God trekt de grens bij 120 jaar, nog steeds een respectabele leeftijd zou ik zeggen. Waarom? Omdat God weet dat het niet goed is als de mens er alleen voor zichzelf is. Omdat de mens niets dan vlees is, zo staat er. Omdat het in de genen van de mens blijkt te zitten om god te willen zijn. Omdat we grenzen nodig hebben, net als dat kinderen grenzen nodig hebben bij de opvoeding, zodat ze juíst binnen die grenzen tot hun recht komen.

Het is al de tweede keer dat God daarom ingrijpt. Eerder in het boek Genesis willen Adam en Eva ook al graag zoals God zijn, daarom eten ze van de boom van goed en kwaad. En later in Genesis, we zullen het nog horen, bouwen de mensen een toren, de toren van Babel, die tot in de hemel moet reiken. Driemaal diezelfde beweging: de mens wil als God zijn.

Is het dan driemaal scheepsrecht? Nadat Adam en Eva van de boom van goed en kwaad gegeten hadden, zette God ze uit de tuin. Toen de mensen dachten dat ze godenzonen waren, begrensde God hun leeftijd. En toen de mensen een toren bouwden tot in de hemel, verspreidde hij de mensen tot de einden der aarde. Als God dan voor de derde keer heeft ingegrepen, dan is het toch eindelijk wel doorgedrongen bij de mensen… Maar nee, er komt nog een rigoureuzere maatregel van God omdat de mensen hun lesje nog niet geleerd hebben: de hele mensheid wordt weggevaagd door een grote vloed. Het verhaal van Noach komt direct na de mythologische voorstelling van de godenzonen die wij vandaag behandelen. Want de mens blijf zichzelf tot God verheffen. En eigenlijk blijft dat ook zo, ook na de zondvloed, ja door de hele Bijbel heen…

 

En wat doet God? Hij blijft grenzen stellen. Hij blijft op die manier betrokken op ons mensen. Hij laat ons niet alleen met goddelijke neigingen, die hoge verwachtingen van onszelf. Hij laat ons niet zwemmen in alle mogelijkheden die er zijn in het leven. Nee, hij stelt grenzen zoals opvoeders dat doen. Zo leren wij over goed en kwaad, zo leren wij over de eindigheid van het leven. Zo leren wij te leven met ons eigen tekort.

Op deze manier zijn die grenzen van God dus geen straf, maar een zegen: Je hoeft ook niet meer dan mens te zijn. Je bent gewoon een mens. Je bent onze lieve Heer niet! Dat geeft ruimte. Je kúnt het leven niet beheersen. Je hóeft niet te oordelen, over anderen of jezelf. Je mag tekortschieten. Jouw menszijn is goed genoeg.

Er vindt hier een ongelofelijke beweging plaats. Wij mensen proberen dus omhoog te klimmen naar de hemel, naar God toe. Maar wat doet God? Hij doet precies het tegenovergestelde: God daalt af vanuit de hemel om dichter bij ons mensen te kunnen zijn. Hij stelt zijn eisen naar beneden bij. God komt ons tegemoet. Hij stelt zijn verwachtingen bij, zodat het onhaalbare haalbaar wordt.

Ja, God heeft ons zo lief, dat Hij ons steeds opnieuw tegemoet komt, steeds verder naar beneden gaat, steeds dichter bij ons menselijk bestaan. Tot in het uiterste: Hij wordt zelf mens in Jezus Christus. We hebben gelezen hoe Johannes dat schrijft in zijn eerste brief: ‘bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn wij ook.’ Wij zijn Gods kinderen, door Jezus, de Godenzoon met een hoofdletter.

Bij God gaat het altijd anders dan anders: God is groot, maar kiest ervoor om zo klein te worden als een pasgeboren baby. God is sterk, maar kiest ervoor om de weg van de kwetsbaarheid te gaan. God is rijk, maar wordt geboren in een stal. God is machtig, maar kiest ervoor om als een misdadiger gekruisigd te worden. God doet alles precies tegengesteld aan onze manier van denken, ons vooruitgangsdenken, onze drang naar ontwikkeling, naar meer, beter, mooier, slimmer…

 

Wij willen omhoog, richting de hemel, maar bij God gaat alles omgekeerd. En weet je wat dan de prachtigste paradox van dit verhaal is: juist als wij stoppen met het proberen te zijn als God, juist als we die goddelijke idealen laten varen en erkennen dat we niet meer dan doodgewone mensen zijn. Juist als we kappen met het kijken naar onszelf en naar anderen als godenzonen en dochters. Juist dan worden we er één: door Jezus Christus, de eerste godenzoon, zijn ook wij kinderen – godendochters en -zonen – van God de Vader.

Amen.


[1]Exodus 7:1