Preek van ds. Antoinette van der Wel op zondag 11 maart 2018

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Waarom staan die stenen daar? Waarom krijgen we in de kerk een klein stukje brood en maar een slokje wijn? Waarom doen we dat: brood en beker delen? Waarom vertellen we elkaar de verhalen over trekken door het water en door de woestijn? Het zijn vragen die een ieder ons kan stellen. Want het heeft iets vreemds als we een stukje brood aan elkaar doorgeven. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee? En hoe vertel je wat daar onder ligt aan je kinderen? Aan je buren? Verandert dit iets aan onze wereld?

Als het volk bijna in het beloofde land is wordt er een monument opgericht van 12 stenen. Voor elke stam eentje. Bewust, zodat ook eeuwen later kinderen nog kunnen vragen: waarom staan die stenen daar? En telkens weer zal iemand vertellen over slavernij, over bevrijding, over een zware tocht door de woestijn, over hoe leven mogelijk bleek toen alles stuk sloeg, hoe er nieuw land werd gevonden, land dat leven gaf en brood om te eten.

Het is bijna Pesach als het volk Israel binnen trekt in dat beloofde land. De dag dat er geen manna meer uit de hemel komt brengt het land voldoende op om van te leven en breekt er een nieuwe tijd aan. Ieder kind in Israel kent echter het verhaal van leven na de vloed, van leven in en na de woestijn. Want elke keer weer als een nieuwe generatie opgroeit wordt het verhaal verteld: we waren slaven in Egypte…. Eigenlijk zijn die stenen een soort catechese, een les voor allen die ze zien, een eenvoudige aanleiding om de verhalen opnieuw te vertellen.

Wat is het toch dat deze verhalen en rituelen ons zo diep weten te raken. Waarom breken we na 2000 jaar nog steeds ons brood in de kerk en vertellen we van hoe Jezus het brood brak voor de zijnen en ook hier, op een grasveld aan het meer, in de aanloop naar Pasen.

Het is vandaag zondag Laetare, wat betekent: verheugt U! Het is de vrolijkste zondag in de 40-dagen tijd. De zondag waar het paars oplicht tot roze, de zondag waarbij we vast een voorproefje krijgen van Pasen. We zijn halverwege de vasten en het lijkt soms moeilijk vol te houden, daarom is er deze zondag, vol verhalen van leven en kracht, die ons mogen helpen gaande te blijven.

 

Ze zijn als een kaartje in je brievenbus op een dag dat het maar niet licht wil worden, als goede woorden van iemand die je lief is, als een zonnetje op een loodgrijze middag. Het zijn verhalen die ons gaande houden, ook als de moed ons in de schoenen zakt.

 

Jezus is naar de overkant van het meer gegaan. Daar wordt hij gevolgd door al die mensen die vol verwachting naar hem opkijken. Wat verwachten ze eigenlijk van hem? Willen ze in hem de nieuwe koning zien? De bevrijder van de Romeinen? Een tweede Mozes? Een leraar die hen verder helpt? Die hen een hart onder de riem steekt? Die woorden spreekt die de wereld omkeren? De Messias die het vrederijk aankondigt? Waarom volgen ze hem? Wat is het toch dat hen raakt en aantrekt?

Jezus vraagt aan Filipus: waar kunnen we eten kopen voor al deze mensen? Zou Filipus al begrepen hebben wie Jezus was? Ik vermoed van niet, want hij denkt dat Jezus vraagt waar de dichtstbijzijnde bakker is en waar ze in vredesnaam het geld vandaan moeten halen om al die monden te voeden. Jezus noemt zichzelf brood dat leven geeft, maar zelfs de mensen vlakbij begrijpen er niets van.

Opeens is daar die ene jongen met vijf gerstebroden, net als eens bij Elisa, en twee vissen, die geeft wat hij heeft. Zou hij het wel hebben begrepen? Zou hij wel weten dat het voldoende is te geven wat je hebt? Zijn bereidheid tot delen zet iets in beweging. Ik vind dat gebaar van een ontroerende eenvoud. Dit heb ik in te brengen, zegt de jongen. In al zijn eenvoud geeft hij wat hij voorhanden heeft in Jezus handen. Er spreekt vertrouwen uit. Hij stelt geen vragen, gaat niet in debat of hij nog iets mag overhouden voor zichzelf, maar geeft wat hij bezit aan voedsel voor zijn lichaam en ziel. Geven wat je hebt, in het vertrouwen dat het gedeeld kan worden en daardoor meer zal worden.

Wat heb je aan te dragen voor het koninkrijk? Wat heb jij als bijdrage voor mensen om je heen? Eigenlijk zou ik dat het liefst aan u willen vragen: wat heeft u in te brengen, bij te dragen daar op dat grasveld aan de overkant?

Wat geeft u uit handen daar op die groene weiden, die herinneren aan de ‘Heer is mijn herder’ psalm? Misschien wel je zorgen en verdriet, omdat het te groot is voor jou alleen en vraag je daarmee aan een ander om te helpen dragen. Misschien bied je wel hartelijkheid aan, waardoor het bij jou altijd goed toeven is. Misschien ben jij wel degene die een ander tot tranen toe kan laten lachen en wil je dat delen. Misschien ben je wel een regelaar, een organisator die zorgt dat alles soepel verloopt. Dan ben je degene die iedereen in ordelijke groepen laat gaan zitten. Of een stille kracht, onmisbaar op de achtergrond. Misschien ben jij wel degene waar iedereen graag bij thuis komt, omdat je het vermogen bezit mensen op hun gemak te stellen, misschien….

Wat breng jij mee voor de maaltijd, waar Jezus de gastheer is?

Of bewaar je wat je hebt liever voor jezelf? Koester je het brood en de vissen voor wie je lief zijn, voor wie je nabij zijn. Stel je eens voor dat Jezus het brood en de vissen had gedeeld met zijn leerlingen en verder met niemand, als hij het voor zichzelf had gehouden, met een vriendelijke knik naar de jongen. Laten de mensen maar voor zichzelf zorgen, ze zijn hier toch ook zelf naar ons toegekomen. Iemand van de meelezers stuurde me dit verwarrend verhaal, met een kritisch blik naar onze wereld, zo vol van goederen en voedsel. Houden we alles voor onszelf of toch niet?

Jezus laat in het breken van het brood zien wie hij in werkelijkheid is. Hij is het brood van leven. Zijn levenshouding, zijn levensweg, blijkt voedsel voor ons te zijn, voldoende om door het water heen te trekken dat ons soms overspoelt, voldoende om groene weiden te vinden.

Mooi gezegd, hoor ik u zeggen, maar wat heb ik er concreet aan. Een paar dingen wil ik er over zeggen. Voorafgaand aan de groene weiden, aan het beloofde land, ligt altijd nog de zee. Blijkbaar moeten we daar altijd doorheen, blijkbaar horen ontbering, angst en pijn net zo goed bij het leven. Het is niet waar dat gelovigen een beter en zonniger leven hebben, dat het hen altijd voor de wind gaat. Ook voor gelovigen kan het leven hard zijn en niets blijft ons bespaard. De kinderen aan de overkant van de rivier krijgen bij de twaalf stenen ook het verhaal van de ontbering, van de zorgen en moeiten te horen. Ze moeten weten waar ze vandaan komen, ze moeten weten hoe je het uithoudt in de woestijn. Waar nu nog duizenden naar Jezus zitten te luisteren en delen van het brood, is er straks alleen stilte en verraad. Jezus, nooit van gehoord.

We kunnen het leven niet naar onze hand zetten. We weten van woestijn, maar ook van grazige weiden, van honger, maar ook van verzadiging. We leren hier in de kerk, jaar in jaar uit, door ons brood te delen, dat je de honger kunt stillen.

Telkens weer zullen we daarom de verhalen aan elkaar moeten vertellen. Van het wonder dat je door het water trok maar niet werd overspoeld, van een stukje brood dat voldoende was om weer op weg te gaan, van het stukje brood, waarin je Jezus herkende. Geen mooie woorden of spectaculaire daden zijn nodig, slechts de kleine getuigenissen, van mensen die verder konden toen alle wegen waren doodgelopen, van de krokus die zo hardnekkig in de kou en de wind staat te bloeien, van u en mij, die geraakt werden door dat verhaal van die ene man, die zijn brood brak met wie honger had, die oog had voor de kwetsbare, die geraakt werd door het verdriet en de zorgen van gewone mensenkinderen en die zelf niet te breken bleek te zijn. Dat verhaal vertellen, dat verhaal gestalte geven in het breken van het brood, mag ons gaande houden, deze 40 dagen op weg naar Pasen en ons hele leven, kome wat komt.