Preek n.a.v. Marcus 13 op zondag 25 november 2018 door ds. Antoinette van der Wel

Gemeente van onze heer Jezus Christus,

Vandaag noemen we de namen van wie we in het afgelopen jaar aan de dood verloren. We ontsteken een licht aan de paaskaars als teken van hoop, te midden van het verdriet en gemis. Het is een zondag waarin we geconfronteerd worden met de broosheid van het leven en de kwetsbaarheid van mensen. Een zondag om elkaar op te zoeken en te steunen. Maar wat een verschrikkelijke tekst klinkt er vandaag in de doorlezing van Marcus. Mensen op de vlucht, puinhopen, geen steen die op de ander blijft, onrust en angst. Beelden die we dagelijks zien op het journaal en beelden die misschien passen bij ons eigen leven. Ik weet niet hoe u hier zit vanmorgen, welk verhaal u meedraagt, of het vol is van vreugde of juist van schrijnend verdriet? Misschien bent u hier vooral voor de gedachtenis van wie we verloren. De dood van wie je lief was slaat immers een gat in je vertrouwen, keert je leven ondersteboven. Misschien lijkt uw leven wel net zo chaotisch en onrustig als hier is beschreven. Weet u alles van puinhopen, onrust en vluchten. Is er ook licht te zien?

Ik vertel eerst ter verduidelijking iets over de achtergrond van de tekst bij Marcus en probeer van daaruit wat lijntjes te trekken naar ons leven vandaag.

Jezus zit tegenover de tempel en schetst een beeld van een vernietigde stad. Het lijkt of geen steen op de ander is gebleven. Jeruzalem was in Jezus’ dagen een stad die zwaar gebukt ging onder de vreemde Romeinse bezetter. De gruwel in de tempel herinnert waarschijnlijk aan een afgodsbeeld dat er was geplaatst door de bezetter. De tempel was niet langer het centrum van het religieuze leven van mensen, het was een handelsplek en een teken van overheersing geworden. Als je leeft onder vreemde bezetting, lijkt alles wat vertrouwd was onherkenbaar geworden. Alsof je een vreemde bent geworden in je eigen omgeving. Verder moeten we ons realiseren dat het evangelie van Marcus is geschreven na het jaar 70. Het jaar waarin de Romeinse bezetter een joodse opstand hard heeft neergelagen. Jeruzalem werd daarbij bijna volledig platgebrand. De tempel werd zwaar beschadigd, mensen sloegen op de vlucht, geen steen bleef op de ander. De feitelijke vernietiging lijkt een bezegeling van een langer lopend proces van teloorgang. Maar de eerste lezers van het evangelie hadden een duidelijk beeld bij de vernietiging van alles wat hen lief was. Ze hoefden hun ogen maar op te slaan om het te zien.

De evangelist Marcus beschrijft dus niet zozeer een toestand die ooit een keer zal plaatsvinden in een verre toekomst, maar eigenlijk een werkelijkheid die zijn lezers maar al te goed kennen. Het is een tijd waarin ze meer dan kwetsbaar zijn, een tijd vol gevaar en onderdrukking, een tijd van angst. Ze leven als het ware met hun koffertje onder het bed, klaar om bij het eerste alarm op de vlucht te slaan. Wie kun je vertrouwen? Waar ben je veilig?

Een leven in puin. Een toekomst die broos en kwetsbaar en onzeker is geworden. De dag van morgen die je met angst tegemoet ziet. Hoe nu verder, waar zoek ik mijn heil? Misschien wel heel herkenbaar voor de families die hier vandaag zijn om een geliefde naaste te herdenken. Wanneer je verliest wie je lief is gaat je hele leven ondersteboven. Niets is nog vanzelfsprekend en wat eens een veilig thuis was lijkt nu een vreemde omgeving. Je moet niet alleen je leven opnieuw uitvinden, maar ook wie je bent zonder die ene.

Wat moet je dan doen? Eigenlijk lijkt Jezus te zeggen: Houdt het gewoon uit. Heb geduld, laat je niet meeslepen door anderen, ook al lijken ze je een snelle oplossing voor je pijn te kunnen bieden. Blijkbaar moet de pijn en het verdriet in alle ernst worden doorleefd. 

Tegelijkertijd belooft hij dat er een nieuwe lichte tijd aan zal breken. De dagen van verschrikking zullen voorbij gaan.

Jaren geleden was de dood het onderwerp van de boekenweek en toen kocht ik een prachtige bundel afscheidgedichten met als titel: Kun je dood ook groeten? Een gedicht van Yvonne van Emmerik daaruit wil ik u graag voorlezen:

Op slot

Het is te erg

Ik doe mijn deur op slot

En laat de mensen praten

Ik heb geen woorden

 

Ik wou dat ik een schildpad was

Of een slak in zijn huis

Ik wil niets zien en horen

Ik wil er niet zijn.

Het daglicht is te schel

Ik zit vast in mijn verdriet

Als een vleermuis aan de zwarte rots

Alleen in de nacht

Durf ik het uit te schreeuwen

 

Dus laat mij met rust,

Vergeet al die woorden.

Maar ga niet weg,

Blijf, wees er, wacht,

Tot ik op een dag

O mijn eigen tijd

Open doe

En mijn verdriet

Stukje bij beetje

Naar buiten kan dragen

 

Ga niet weg! Houdt de wacht bij hen die kwetsbaar zijn, wees maar stil, slijt aan het verdriet van die ander, maar blijf en houd de wacht. Hoe lang? Tot de ander tevoorschijn komt. Houdt ondertussen de droom levend. De droom die Jesaja beschrijft als een Jeruzalem dat tot bloei komt. Waar mensen uit alle hoeken van de aarde samenkomen, in vrede. Als mensen in hun verdriet opgesloten geen woorden meer vinden, worden we uitgenodigd geduldig te wachten en te blijven dromen van een wereld zonder dood en vernietiging, waar mensen tot hun recht komen. Blijven dromen van een wereld waar vrede is, waar ieder kind spelen kan, waar mensen elkaar het goede doen. Blijven dromen voor wie verborgen is in verdriet, voor wie geen woorden meer heeft, voor wie geen licht meer kan ontsteken.

 

Altijd blijven dromen van een wereld waar het goed toeven is. Een aarde waar geen mens meer op de vlucht wordt gejaagd. Waar je veilig kunt slapen en ontwaken. Een wereld waar op de puinhopen al lang nieuwe rozen bloeien. Die droom van een wereld mogen we voor elkaar bewaren. Als de nacht zwaar is en de rouw schuurt, mogen we het uithouden met elkaar, dichtbij zijn, volhouden, een kaarsje aansteken en de duisternis verdrijven. Misschien alleen maar naast elkaar staan, zonder woorden, maar met geduld en alert. Zodat wanneer de ander zover is de deur te openen, we er zijn, met open armen, wachtend, verwelkomend.

 

Jezus schetst een beeld van ontreddering, maar licht tegelijkertijd een tipje van de sluier op. Deze tijd blijft niet eeuwig duren, God blijft trouw aan zijn mensen.

 

Hier in de kerk blijven we, misschien wel tegen beter weten in, koppig een lichtje ontsteken als het donker is. We weigeren met alles wat in ons is de nacht het laatst woord te geven. We weten van licht dat nooit te doven is, hoe duister het soms ook lijkt om ons heen. Zo lang er iemand is die wacht voor de dichte deur van het verdriet, zolang er iemand is die zijn jas om je schouders slaat als het koud is, zolang er iemand is die de naam van je geliefde blijft noemen, kunnen we niet geloven dat dit leven godverlaten zou kunnen zijn. Dat we geen toekomst zouden hebben.

 

Natuurlijk kunnen we dat niet bewijzen. Maar omwille van wie ons voorgingen, omwille van die momenten dat we het even zeker wisten, blijven we zeggen: Het laatste woord is aan die ene, die ons trouw bleef tot in de diepte van de dood. Van hem werd gezegd dat de dood hem niet vast kon houden, dat hij is opgestaan. En elke keer als we opstaan uit ons verdriet, elke keer als we licht zien in onze nacht, als we weer lachen en verder gaan, getuigen we van die hoop. Jezus zag op de puinhopen van Jeruzalem, in alle verschrikkingen, ook Gods trouw oplichten. Zijn liefde reikt over alle grenzen heen en zoekt ons op als ons leven beschadigd en kwetsbaar is. Aan die liefde vertrouwen we ons toe, in leven en sterven, die liefde maakt dat we koppig en hardnekkig blijven dromen van een wereld waar de dood niet meer is, waar mensen tot bloei komen, waar leven mogelijk is, elke nieuwe dag. En koppig ontsteken we een licht en lachen we de duisternis uit. We houden het uit, we houden vol, want de morgen daagt, hoe dan ook. Gods licht verdrijft de nacht.

 

Amen.