Preek n.a.v. Lucas 21 op zondag 2 december 2018 door ds. Antoinette van der Wel

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vandaag op de eerste zondag van advent lezen we niet langer uit Marcus, maar volgen met de kinderen het spoor van de evangelist Lucas. Elke zondag zullen we de evangelist ontmoeten hier in de kerk. Wie denkt dat we na de ernst van de afgelopen weken nu vrolijke lezingen horen, komt een beetje bedrogen uit. Want de lezing van deze zondag lijkt verdacht veel op die van vorige week. Ook hier berichten van de zon die verduistert, van angstige mensen en kosmisch geweld. En daarbij een kleine gelijkenis van de vijgenboom.

In de adventsweken leven we toe naar het kerstfeest. Het is een tijd van bezinning, van speuren naar licht in het donker. Hoe kunnen de lezingen als die van vandaag ons daarbij helpen? Op het eerste gezicht lijken ze vooral vol van rampspoed en duisternis te zijn. Het licht is ver te zoeken. Waar zien we God als de wereld in brand lijkt te staan? Heeft hij ons al spoorslags verlaten? Of is hij juist in al die rampspoed? Waar zie je een spoor van God in de wereld? Blijkbaar is het van alle tijden en plaatsen dat mensen proberen hun tijden te duiden. Waar is God in alles wat ons gebeurt? Is hij de almachtige God die ingrijpt in het wereldgebeuren? Probeert hij ons met rampen duidelijk te maken dat we niet naar hem luisteren?

Eerlijk gezegd geloof ik van niet. Ik kan God maar moeilijk ontdekken in deze geweldige kosmische rampen. Niet als degene die ons straft, maar ook niet als degene die ingrijpt en even snel orde op zaken stelt. Ik moet altijd denken aan die tekst uit Koningen[1]waar Elia in zijn wanhoop vraagt God te mogen zien. Hij blijkt niet in de geweldige storm te zijn, niet in de aardbeving en niet in het vuur, maar in het gefluister van de zachte stilte. Wie God wil zien in ons aardse gebeuren moet zich niet blindstaren op het grote kosmische geweld, maar wordt uitgenodigd hem te zien en te horen in de stilte, in het kleine en kwetsbare.

Ook Zacharia beschrijft een kosmische ervaring. We horen hoe de Heer orde op zaken stelt in Jeruzalem, dat zo ver van hem is afgedwaald. Hij zal de bergen splijten en een rivier laten ontstaan. Het lijkt of de wereld vergaat. En dan dat ene merkwaardige zinnetje: pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht gloren.

Pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht gloren. Hoe vaak hebben mensen gebeden om een dergelijk ingrijpen van God. Gesmeekt of hij orde op zaken wilde stellen in een verscheurde wereld vol geweld. Hoe vol verlangen hebben mensen de sterren van de hemel gebeden in situaties van onrecht, van pijn en lijden. God, waar ben je nu mijn wereld instort, nu ik geen licht meer weet te vinden, nu ik niet meer verder kan? God waar ben je nu ik ziek ben, of op de vlucht, of schrijnend eenzaam? God, waar ben je nu…

Waar is God voor ons? We kunnen niet geloven dat hij zomaar ingrijpt in onze werkelijkheid. En waar moet hij dan ingrijpen? Goed en kwaad liggen vaak zo in elkaar verweven, dat we niet eens weten hoe dat ingrijpen gestalte zou moeten krijgen. Het is niet vanzelfsprekend om God te zien als een almachtige mannetjesputter die met één handbeweging orde op zaken stelt.

Maar waar is God dan wel?

Ik waag een voorzichtige poging om wat mogelijkheden te duiden.

Pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht gloren. Als de duisternis zich samenpakt, als je je wapent voor weer een nieuwe donkere nacht, begint het licht te gloren. In het Jodendom begint de nieuwe dag niet bij het ochtendgloren, maar bij het vallen van de nacht. Dat lijkt misschien de ongekeerde wereld, maar het getuigt van vertrouwen. De nacht heeft altijd de belofte van de komende dag in zich. Alsof de duisternis al fluistert: het daagt in het oosten. Alsof de nacht al verdreven wordt, nog voor hij goed en wel is ingevallen.

Wanneer ik mensen spreek die de duisternis aan den lijve ondervinden, word ik altijd weer geraakt door het verlangen naar de morgen, maar ook door wat ze vertellen over hun godservaring. Hoe ze hem ontmoetten in mensen die trouw bleven in de nacht, hoe ze hem hoorden in muziek of tijdens het zingen van een lied. Hoe een oude psalm plots levend werd in de nacht en troost bood. Hoe de boosheid van een naaste om jouw pijn stem gaf aan je eigen machteloosheid en gek genoeg ook troostte.

Waar is God in onze wereld?

Ten diepste vermoed ik hem of haar op plekken waar mensen volhardend blijven opkomen voor wie het onderspit delven, in wie blijven vragen om een wereld waar elk mens tot zijn of haar recht kan komen. In wie opkomen voor wie dat zelf niet meer kunnen. In al die mensen die weigeren zich neer te leggen bij situaties van onrecht en geweld.

Waar is God in deze wereld?

We vermoeden hem in de vijgenboom. Als alles kaal en desolaat lijkt, in de knop die het geheim van leven herbergt, die vruchten belooft. De vijgenboom is het teken van een goed leven voor alle mensen. De profeten spiegelen het ons voor. Hoe ieder mens veilig kan zitten onder zijn eigen vijgenboom en wijnrank. Oorlog en geweld worden een onbekend begrip, kinderen groeien op zonder bedreiging, leren het woord oorlog niet eens meer. Is dit alles een verre toekomstdroom, misschien ooit eens een keer, als God orde op zaken stelt? Of mogen we misschien vanuit die droom speuren naar tekens in ons leven van alledag. Waar bloeit dat koninkrijk van God al op? Waar zien we sporen van God in ons leven?

Waar is God in deze wereld?

Als je goed kijkt blijkt hij te vinden te zijn. In de knop van een tak, die droomt van de lente, in een kind dat speelt, in muziek die ons raakt, in de schipper van het bootje dat een vluchteling uit de zee redt, in een kerkdienst die al 30 dagen duurt, in een mens die weigert de ander als vijand te zien, in wie een licht ontsteken als de nacht valt, in wie dromen van de morgen, in wie zwaaien naar vreemden, in wie…

Ieder mens die droomt van het koninkrijk en daar tekenen van stelt, hoe klein misschien ook, elke man of vrouw die tegen de klippen op blijft vertrouwen op een wereld waar mensen tot bloei kunnen komen, zijn even zovele sporen van God. Zo houden we met elkaar de verwachting levend. In ons verlangen licht zo nu en dan, totaal onverwacht, iets van de Eeuwige op. In die verwachting dragen we de nacht, ontsteken we in alle kwetsbaarheid een kaarsje, in het vertrouwen dat uiteindelijk het laatste woord is aan het licht en het leven. Zo leven we het kerstfeest tegemoet, een ieder op de plek waar je leeft. Als we op al die plaatsen een licht ontsteken dan tekent zich een lint van lichtjes af, te midden van de nacht.

Tegen het vallen van de avond gloort het licht. De morgen breekt aan, laten we opstaan en op weg gaan, die morgen tegemoet.

Amen.

 

[1]1 koningen 19