Preek n.a.v. Genesis 6 op zondag 29 april 2018 door ds. Antoinette van der Wel

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vanmorgen lazen we één van de bekendste verhalen uit Genesis. Noach krijgt de opdracht een ark te bouwen om de oervloed te overleven. We kennen het verhaal allemaal. Wie heeft er niet als kind gedroomd van al die dieren in de ark en de prachtige tekeningen van Dick Bruna bewonderd of het gedicht van Annie M.G. Schmidt gehoord:

Daar gaan ze dan! Daar gaan ze dan!

De leeuwe-vrouw, de leeuwe-man, tezamen in de ark.

Twee schapen en twee kangoeroes en ook een poes.

En nog een poes, twee hertjes uit het park,

het stroomt van alle kanten.

Ziedaar de olifanten.

 

Een geweldig verhaal is het, vele malen hertaald en uitgebeeld. Onze kerk heeft haar naam eraan te danken en het wordt al eeuwen lang doorverteld aan de volgende generaties.

 

Het blijkt ook een universeel verhaal. In verschillende culturen wordt verteld over een enkeling die wordt gered uit een overspoelende oervloed. Zo zijn die eerste hoofdstukken uit Genesis ook bedoeld, als een soort oervertelling. Er worden universele thema’s aan de orde gesteld en uitgelegd. De oervloed maakt ons duidelijk hoe kwetsbaar we zijn, maar dat er tegelijkertijd ook altijd redding mogelijk is, hoe onwaarschijnlijk dat soms ook lijkt.

 

Het verhaal van de ark blijkt overigens een spiegelverhaal bij de schepping. Werd daar de oervloed die alles overspoelde terug gedrongen tot de zee, werd de chaos binnen de perken gebracht, hier gebeurt het tegenovergestelde. De vloed overspoelt het hele leven en nergens lijkt er nog een schuilplaats te vinden.

 

Wat heeft dat oerverhaal ons vandaag te vertellen? Wat kunnen we hiermee?

Het lijkt me zinnig om het verhaal te laten staan in al zijn verwarring. Maarten ’t Hart gebruikt het in zijn boek Magdalena om aan te duiden hoe hij zijn geloof verloor door het beschouwen van de logistieke problemen in de ark. Hoe krijg je al die beesten snel aan boord? Hoe krijg je ze eigenlijk bij de haven? Hoe zorg je dat de verschillende dieren elkaar niet tot voedsel verklaren, hoe past het er allemaal in? Waar laat je de mest? Hoe zorg je dat ze allemaal te eten hebben?

 

Als je zo naar Genesis kijkt, dan maak je de ark en Noach onmiddellijk onschadelijk en verliest het verhaal zijn kracht en bekoring. Kern van het verhaal is niet een logistiek of technisch hoogstandje, maar hoe een mens in zijn trouw aan God de oervloed overwint en weerstaat en hoe in deze ene Noach het leven weer terecht komt.

 

God zag zijn schepping en het berouwde hem dat die schepping slecht was. Hier is het tegenovergestelde aan de orde dan bij het scheppingsverhaal. Daar klonk juist een heel ander refrein: God zag dat het goed was, en bij de schepping van de mens: God zag dat het zeer goed was!

 

Wat is er onderweg gebeurd met die schepping? Waar ging het mis? Waarom lijkt de vloed toch sterker dan de paaltjes die geslagen zijn om deze te beperken? Waarom worden dagelijks mensen overspoeld door zorgen en verdriet, door oorlog en geweld? Deze aarde is geen paradijs en mensen gaan op zoek naar antwoorden. Wat is het toch dat we niet het goede weten te doen voor elkaar en deze aarde.

 

Als God ziet hoe slecht de mensen zijn, wil hij de hele aarde wegvagen. Daar schrikken we van en we komen in de knoop met ons godsbeeld. Is God dan zo wispelturig dat hij stukgooit wat hij net zo mooi heeft gemaakt? Of moeten we proberen anders te kijken. Als ik om me heen kijk dan stel ik mezelf dezelfde vraag. Waar komt het kwaad vandaan? Wat is het toch dat mensen soms drijft tot de meest verschrikkelijke daden ten overstaan van hun naaste. En waar is God in dit geheel? Volgens de schrijvers van Genesis is God blijkbaar ook in het wegvagen, in de vernietiging. Niets gaat boven zijn macht. Ik ben wat voorzichtiger. Je ziet immers in de bijbel een voortdurende zoektocht naar een verklaring voor het kwaad. Is het God zelf die het ons aandoet? Is het een tegenkracht, die de boel steeds weer overhoop gooit? Of is het niet te verklaren, blijkt het kwaad er gewoon te zijn, als een vast element in deze wereld? In de bijbel komen al deze opties voor, dus het lijkt me wijs de vraag naar de oorsprong van het kwaad open te laten. Maar de grondtoon is wel altijd dat God het laatste woord heeft, ook over het kwaad.

 

Als we de tekst goed lezen zie ik nog iets anders. Het kwaad, het vernietigingbesluit is hier niet de kern van het verhaal, maar eerder de donkere achtergrond waardoor de opdracht en de trouw van Noach in een scherper licht komt te staan.

 

Hier gaat het ten diepste om die ene mens, om Noach, de rechtvaardige, die tegen alle natuurlijk inzichten in, een doodskist bouwt om te overleven. Hij luistert naar de opdracht en bouwt een grote kist, een verhuiskist, die straks op de golven zal drijven. Zoals later Mozes in zijn kistje gered wordt en zijn volk zal bevrijden, kiest God steeds weer mensen uit die het goede doen en die door hun daden de mensheid redden. Noach redt het leven uit de vloed, Mozes, zelf gered, brengt een volk terecht. Jona in de vis, Naäman die rein wordt en tenslotte wandelt Jezus over het water.

 

Noach is een voorafspiegeling van al die mensen die na hem komen, die leven vonden te midden van de dood, die een begaanbare weg vonden door het overspoelende water heen. Eentje blijkt voldoende om de hele schepping te redden. Een rechtvaardige brengt het leven terecht voor alle mensen en dieren op aarde.

 

Wat zegt de zondvloed en de ark ons vandaag? Ik probeer wat lijntjes te trekken. Opvallend is dat er een lichtgat moet worden gemaakt in de ark. Alsof in alle nacht en duisternis altijd ook een blik moet zijn op de hemel, de mogelijkheid moet worden opengehouden om het aanbreken van de dag te zien. Die ark, gedompeld in de duisternis, vaart onder een spoor van licht door, het wordt weer licht. Eens zal de dag aanbreken waarop het land weer bewoonbaar zal blijken. Ik vermoed dat dit herkenbaar is voor een ieder van ons die in het persoonlijke leven periodes van nacht heeft meegemaakt of nog meemaakt. Het lijkt soms alsof de dag nooit zal dagen, alsof je omringd bent door de nacht. Maar ergens door een kier valt soms zo maar een straal licht. Er wordt een kaars aangestoken, er wordt een lied gezongen, een pannetje soep voor de deur gezet. Of zoals in bezettingstijd stiekem het Wilhelmus werd gefloten en de voorbijganger wist dat het verlangen naar vrede nog niet was gedoofd. Zo zullen we het ook straks na de dienst in de aanloop naar 4 en 5 mei zingen, als daad van verzet tegen alles dat dit leven bedreigt.

 

 

Lieve gemeente,

Het oerverhaal van de ark van Noach verhaalt van een diep vertrouwen, van leven in de dood, van een toekomst die baan breekt. Na Noach zijn er steeds weer mensen opgestaan die weigerden het leven prijs te geven aan de vloed. Voorbeeldig zijn ze voor ons in hun trouw en vertrouwen. Ze konden niet geloven dat het laatste woord zou zijn aan de vloed en de chaos, ze bleven vertrouwen dat God uiteindelijk orde zal scheppen.

 

Een mens kan het verschil maken. Een mens kan deze wereld blijvend veranderen. Een rechtvaardige is genoeg om het kwaad te stuiten en te overwinnen. Kunnen we die rechtvaardige zijn? Of is het al voldoende te gaan in het voetspoor van die Ene die trouw bleef toen allen hem de rug toekeerden, het aandurven om gesnoeid te worden, om los te laten, om achter te laten, te vertrouwen dat er leven mogelijk is, ook als alle deuren gesloten lijken.

 

Een joodse wijsheid zegt: wie één mens redt, heeft de wereld gered. Is het werkelijk zo eenvoudig? Ik geloof van wel. Als iemand een ander mens in de ogen ziet en aandacht geeft, dan is de vloed overwonnen en bloeit het leven op, dan is het leven goed, zeer goed.

Amen.